Vier woorden, 24 tekens; VERSCHILLENDE INTERPRETATIES VAN BETUWSE RUNENINSCRIPTIE

De eerder dit jaar in de Betuwe gevonden runentekst zou steun kunnen geven aan de theorie dat het runen- schrift is ontstaan in het Nederlands-Duitse ge- bied langs de Romeinse grens. Maar als de in- scriptie in het Latijn is geschreven, dan sprak de runenmeester potjes- latijn.

DE WEINIGE runeninscripties die de Nederlandse bodem heeft prijsgegeven zijn tot op heden opgedoken bij de afgraving van terpen in Friesland. Die Friese inscripties - het zijn er zo'n twintig - stammen meestal uit de zesde tot de negende eeuw en hebben tekens die in nauw verband staan met inscripties in Engeland. Bij opgravingen te Bergakker bij Tiel is nu, in april van dit jaar, een zilveren beslag van een zwaardschede aangetroffen die op grond van ornamentiek en vorm moet dateren uit het eind van de vierde of het begin van de vijfde eeuw na Chr. Wat deze zeldzame vondst enig in zijn soort maakt in Nederland is de runeninscriptie die erop is aangebracht. Het is voor het eerst dat er in zo zuidelijke contreien van ons land een zo vroege runeninscriptie is gevonden.

Niet alleen de plaats, ook de datering van de vondst uit Bergakker is van grote betekenis. Als deze runentekst net zo oud is als het beslag, dan gaat het om een van de oudste die buiten Scandinavië zijn gevonden. De vondst heeft tot opschudding en onenigheid geleid in het internationale runologenwereldje. De inscriptie kan zijn aangebracht door Germanen in het gebied dat mogelijk toen nog Romeins was, zeggen voorzichtige onderzoekers. Maar vernieuwers gaan veel verder: Is het runenschrift soms hier ontstaan, aan de limes, de woelige grens tussen Germania en het Romeinse rijk, waarover de Germanen, onder anderen als huurlingen, massaal en voortdurend heen en weer trokken?

De oudste tot nu toe gevonden inscripties, uit de tweede en derde eeuw na Chr., stammen bijna alle uit Denemarken (zo'n 18 stuks); twee zijn afkomstig uit het zuidelijke kustgebied van Zweden en Noorwegen. Veel runologen nemen op grond daarvan aan dat het runenschrift in de eerste eeuw na Chr. in Denemarken is ontstaan. Het voorbeeld was waarschijnlijk wel het Latijnse alfabet, al is de exacte relatie met dit schrift nog steeds omstreden. Het grote probleem daarbij is het ontbreken van inscripties uit de eerste eeuwen na Chr. in het overbruggende gebied tussen het Romeinse rijk en Denemarken.

In de jaren twintig werden aan de monding van de rivier de Weser in Noord-Duitsland botten met runen gevonden die in de vijfde eeuw worden gedateerd. In 1994 werd bij opgravingen te Wremen bij Cuxhaven (Noord-Duitsland) een inscriptie, eveneens uit de vijfde eeuw, gevonden. Die bestaat uit twee woorden: skamella (a)lguskathi, wat wordt geïnterpreteerd als een eigennaam en het woord schemel (de inscriptie staat op een houten plankje dat heel goed bij een schemel kan hebben gehoord). Nu komt de inscriptie van Bergakker daarbij. De verdere ornamentiek op dit schedebeslag suggereert herkomst uit Neder-Germanië. Dat zou ook voor de inscriptie kunnen gelden.

Samen met de vondsten van de Weser en Cuxhaven zouden de runen uit Bergakker als steun kunnen dienen voor de sensationele theorie over de herkomst van de runen uit de Nederlands-Duitse gebieden rond de limes. Ze zouden juist die ontbrekende schakel kunnen vormen tussen het Romeinse en het Deense gebied. Een bezwaar is echter de datering. De runen van Bergakker en de Noordduitse vondsten zijn zo'n 250 jaar jonger dan de oudste Deense inscripties. Dat zou betekenen dat de runen omstreeks de eerste eeuw ergens in het limesgebied zijn ontwikkeld - terwijl daar geen spoor van te bekennen valt - waarna ze prompt een verre sprong maakten naar het huidige Denemarken om pas tweeneneenhalve eeuw later mondjesmaat terug te keren.

ROEMENIË

Meer traditionele runologen denken dan ook eerder aan een andere ontwikkeling. Zij nemen aan dat het in Denemarken ontstane runenschrift meereisde met de Germaanse stammen in de tijd van de volksverhuizingen. Zo zijn de runen, getuige de uit de vierde eeuw stammende inscripties van Pietroassa en Letçani in Roemenië, met de Goten meegekomen naar Roemeens gebied. Juist in de vierde en de vijfde eeuw begint het Romeinse rijk steeds meer uiteen te vallen onder druk van de Germaanse stammen uit het noorden. In 402 trekt Stilicho, de Germaanse magister militum, opperbevelhebber van het Romeinse leger, de troepen terug uit de verste delen van het rijk om Italië te beschermen. In de vijfde eeuw veroveren de Germanen onder andere Engeland. Zij brachten het runenschrift mee en ontwikkelden het verder, maar de inscriptie van Bergakker vertoont die nieuwe ontwikkeling niet en sluit zich wat de vorm betreft aan bij Scandinavië.

De tekst uit Bergakker is ook opmerkelijk door zijn lengte: vier woorden die door woordscheidingstekens van elkaar zijn gescheiden. Maar al te vaak beperken de inscripties uit de vroegste periode zich tot ten hoogste enkele tekens, waaronder, zo verzuchten de runologen, maar al te vaak de rune i (één rechte kras) prijkt.

Bij het ontcijferen van runenvondsten kampen de onderzoekers doorgaans met twee moeilijkheden. Eerst moet de inscriptie worden gelezen. Dat is niet eenvoudig, want vaak zijn de runen beschadigd, soms niet te identificeren. Een enkele kan op haar kop staan of in geen van de varianten van het runenalfabet terug te vinden zijn. Ook een Nederlandse tekst zou onbegrijpelijk zijn als het niet duidelijk was of ergens kar, kam of kom staat, en de rest van de tekst - als die er al is - net zo slecht leesbaar was. De volgende moeilijkheid is de interpretatie van de gelezen tekst. Het gaat om een zeer vroege, nauwelijks overgeleverde vorm van Germaans waarin voor ons ongewone woorden en woordvormen kunnen voorkomen.

De vier woorden in de inscriptie van Bergakker bestaan uit 24 tekens. Het meest opvallende ervan is een soort hoofdletter V met dubbele lijnen die in totaal vier keer voorkomt en binnen de algehele overlevering van het runenschrift uniek is. De runologe Tineke Looijenga (Groningen) denkt als klankwaarde van dit eigenaardige teken aan een e. Dan zou het eerste woord (een naam?) op -thewas een genitief bevatten van een woord dat in de nominatief thewaz ('dienaar') luidt. Dat zou dan corresponderen met andere namen in eerder gevonden runeninscripties waarin hetzelfde element voorkomt. De tekst die daarna volgt leest Looijenga als ann kesjam logens. De exacte betekenis van deze woorden blijft tamelijk duister. Looijenga denkt aan de mogelijkheid dat de tekst in het Latijn is, mede gezien de vindplaats in de buurt van de Romeinse grens. Zo komt ze tot haar gedurfde theorie en tot de interpretatie: 'Van Hathethewa(z) Annius, [hij bezit] dit glanzende zwaard'. Een tekst die alleszins zou passen bij de parafernalia en bij het wapengekletter van de volksverhuizingen. Een Latijnse runentekst? Dat spreekt tot de verbeelding. Het geeft aanleiding tot interessante speculaties over de Latijnse invloed op het runenschrift en de mogelijkheid dat Germaanse soldaten in Romeinse dienst dit schrift in het limesgebied hebben geschapen.

SPEER

Die theorie lijdt echter aan anachronisme, zo meent de gevestigde runologische wetenschap. Want het Latijnse woord kesja of gesja is alleen overgeleverd in Middellatijnse teksten die zo'n 200 à 300 jaar jonger zijn dan onze runeninscriptie. De betekenis ervan is doorgaans 'speer' en zelden 'zwaard'. Bovendien is het waarschijnlijk een Germaans leenwoord. In het Oudnoords (vanaf de 12de eeuw!) is een woord kesja 'speer' overgeleverd, maar zo'n vorm doet in de vroege inscriptie uit Bergakker vreemd aan. Het vloekt met de taalwetten, je zou eerder iets als kasjo verwachten. En ten slotte, aldus de kritiek op Looijenga's theorie, weigert ook de syntaxis van het Latijn medewerking. Een schrijver die Latijn kent, zou nooit de accusatief kesjam met de nominatief logens verbinden. Of sprak de runenmeester potjeslatijn, naast het feit dat hij tevens zijn eigentijdse Germaanse taal niet goed kende en ook nog een rare rune kraste?

Het opvallende teken V met dubbele lijnen heeft in de inscriptie een parallel bij de s die ook twee keer met dubbele lijnen is gekrast. Enkele runologen denken dan ook dat het gewoon gaat om een omgekeerde U-rune. Het gebeurt wel vaker dat runen omgekeerd geschreven werden, al is het opvallend dat dit in de tekst van Bergakker zo consequent gebeurt. Daarmee zou de lezing hathuthuwas luiden en verdwijnt het aantrekkelijke directe verband met de in andere inscripties overgeleverde namen op -thewaz. Ook de rest van de tekst wordt dan iets anders: ann kusjam loguns.

Wat dat zou moeten betekenen is weer een heel ander chapiter. Eén ding is wèl zeker: de tekst van Bergakker is de zoveelste puzzel die runologen nog lang hoofdbrekens zal bezorgen.