Verplaatsingen

Ik was op allertruttigste wijze het huiswerk aan het bespreken maar omdat we nog maar zo kort in het jaar zijn, werd ik redelijk geanimeerd door het volk geholpen. “Vraag 3, wie?” En dan meteen een bos vingers, nou ja, bosjes. Te veel vingers is ook niet goed, want dat doet een te groot beroep op hun frustratietolerantie.

Natuurlijk wordt het woord 'wie' in de vorige zin regelmatig vervangen door een naam. Daar gaat enige dreiging van uit en dat is mooi meegenomen. Dus: “Vraag 5, Chantal.” Er zijn alleen in deze klas al drie Chantals. Stel je voor dat je gedurende de pauze in de aula heel hard CHANTAL! zou roepen. Je wordt volledig omver gelopen door een horde meiden.

Vraag 5 was wel een aardige: “Wat is het meest indrukwekkende lichtverschijnsel dat je kent?” Deze Chantal is erg rustig. Ik hoorde haar stem voor het eerst van mijn leven: “Bliksem.” Goed, ok, aardig antwoord. Vraag 5b luidde: “Waarom vind je het zo indrukwekkend?” Chantal: “Weet ik niet.” En dat kwam er bits uit.

Wat is er aan de hand, vroeg ik mij af. Waarom zo bits? Er is iets in deze klas dat niet is zoals het wezen moet, en het heeft niets met mij te maken, maar het is wel van belang. Tweede klas Havo/Atheneum. Een klas met van die jongetjes, die je regelmatig op hun nummer moet zetten, want ze zijn voor het eerst van hun leven hun stem aan het oefenen. Als je goed luistert, hoor je hoe deze Adjes Rem over twintig jaar vergaderingen zullen manipuleren. Dat soort kleine prepuberale wandelende bekjes moet je regelmatig afblaffen, gewoon van klets.

O, ze zijn best aardig, dat wil zeggen zolang je ze aardig houdt, zal ik maar zeggen. En slim zijn ze van zichzelf. ik gaf een bekje met flaporen als strafwerk 250 woorden over een wilg in de herfst te schrijven. In samenwerking met zijn familie produceerde hij een fraai geïllustreerd dichtwerk: 's Nachts als ik droom, droom ik vaak over een wilgenboom, over hoe mooi hij in het voorjaar is, iets wat ik in het voorjaar heel erg mis. Enzovoorts.

Nou goed, de bekjes bevinden zich in de twee middelste rijen, pal voor me. De meest linkse rij is wat stiller en de meiden achterin en in de meest rechtse rij hoor je niet. In een tweede klas zitten de seksen zover mogelijk uit elkaar. De muur, de voor een tweede klas zo karakteristieke seksmuur, de 'genderwall', loopt in deze klas tussen rij één en twee, wurmt zich door rij twee en slaat dan rechtsaf tussen de rijen twee en drie. In de derde is de scheiding minder strikt. Toch heb ik vorig jaar twee gemengde tafels echt verlost uit hun voortvarendheid. Toen ik Niels en Ron zei naast elkaar te gaan zitten in plaats van naast Marieke en Inge, zuchtten ze van verlichting. Dit was een brug te ver geweest.

Wat nu is er aan de hand in deze tweede klas. In de meidenhoek zitten dromerige types die één tot twee hoofden uitsteken boven de bekjes. Ze ergeren zich dood aan het irrelevante lawaai van de bekjes. Het verstoort hun dromen van de liefde, voor de bekjes een begrip uit een verre toekomst. Voor het broodnodige evenwicht zal ik de genderwall doorbreken en de meiden meer centraal plaatsen. Dan krijgt hun zwijgende somberheid ook een meer centrale plaats. Vooral het zwijgen bevalt mij.