VERDAMPT EN ONTMANTELD; De vernietigende gedragsreacties van de Wet op de studiefinanciering

Hoe failliet is de studiefinanciering? Minister Ritzen is daarover afgelopen week een officieel debat begonnen. Het stelsel gaat aan verfijning ten onder.

'PARDON MENEER, het spijt me dat u het van mij moet horen. Uw zoon heeft een schuld van 9.000 gulden.''

Privacy bestaat niet in een volgepakte wachtkamer van het Steunpunt studiefinanciering in Den Haag. De bezoekers spitsen hun oren, hun blikken stuiten op een houten tussenschot. Kijken kan niet, aan luisteren valt niet te ontkomen.

Een dreun, iemand slaat met vlakke hand op de balie. “Klootzakken”, schreeuwt een mannenstem. “Ik werk me de pestpleuris op de taxi om mijn zoon te laten studeren. En nu zadelen de dames en heren hem ook nog met een schuld op.”

De man hapt hoorbaar naar adem, de baliemedewerker tikt als een razende op een toetsenbord. “Hij heeft te weinig tentamens gehaald.”

“Da's verdomme valse informatie.”

“Voorletters J.A.?”

“Neeeheeee, J.H. J.A. is mijn neef.”

Opnieuw driftig getik, een zucht. “O. U hebt een verkeerde brief gehad. Met uw zoon is alles in orde.”

Een man in Adidas-trainingspak schiet achter het schot vandaan. Met gebalde vuist richt hij zich tot de wachtkamer. “Het is één grote rotzooi met die beurzen”, briest hij. “Probeer ik ze hier te bellen, krijg ik een madam in Groningen, want de steunpunten hebben een geheim telefoonnummer. Wat hebben ze hier eigenlijk allemaal te verbergen?”

Oplopende studieschulden, studenten met vier, vijf of zes jaar beurs, en hogere eisen aan de studieresultaten. Na vijfenvijftig wetswijzigingen is de wet op de studiefinanciering steeds moeilijker uit te leggen, ervaren de 250 medewerkers van de Informatie Beheer Groep, 's lands grootste uitkeringsfabriek. Vorig jaar werden ze 4,7 miljoen keer gebeld over de studiebeurzen, het jaar ervoor 3,9 miljoen maal. Twee van de tien bellers komen terecht bij de steunpunten. “Soms denk ik wel eens dat wij de enigen zijn die het overzicht nog hebben”, lacht manager T. Doornbos van het steunpunt Den Haag.

Het stelsel is niet alleen ingewikkeld. Anno 1996 bemerken de Haagse medewerkers dat de wet een drempel opwerpt om te gaan studeren, terwijl de studiefinanciering juist de toegankelijkheid beoogt te waarborgen. Van 'klanten' uit het middelbaar beroepsonderwijs horen ze steeds vaker: 'ik ben gestopt omdat ik zo weinig krijg en zo veel moet lenen.' En recent onderzoek bevestigt hun ervaring dat steeds meer scholieren uit lagere inkomensgroepen hun studie op hogeschool of universiteit uitstellen, uit vrees voor studieschulden bij onvoldoende prestaties. Anderen kiezen voor een 'makkelijke' studie om zeker te zijn dat ze voldoende studiepunten halen. Deetmans nakomeling van de verzorgingsstaat is verdampt, concludeert medewerker Krook. “Ritzen heeft het stelsel vernaggeld. De praktijk leert dat mensen lenen niet beschouwen als studiebeurs.”

SLOGAN

Het Haagse steunpunt staat niet alleen in zijn opvatting. Tien jaar na invoering is het stelsel failliet, klinkt de laatste weken uit de mond van studenten, universiteitsbestuurders, wetenschappers en ook politici. Hun belangrijkste verwijt is dat er te veel op de beurzen is gekort om idealen van toegankelijkheid, zelfstandigheid en ouderonafhankelijkheid in stand te houden. Van de steeds lagere beurs kan geen student in zijn levensonderhoud voorzien, zeggen ze, zeker niet nu het lesgeld steeds hoger wordt.

Dit jaar heeft een hogeschoolstudent op kamers elke maand een prestatiebeurs van 425 gulden en krijgt een uitwonende MBO-scholier een gift van 391 gulden per maand. In 1989, toen leeftijd en niet schoolsoort uitgangspunt was van het stelsel, kregen ze allebei nog 605,40 gulden basisbeurs ongeacht hun studieresultaten. Voor de kortingen stelde minister Ritzen ruimere studieleningen in de plaats (de slogan 'iedereen zelfstandig' werd 'studeren is investeren in je toekomst'), maar bursalen leggen die eigen verantwoordelijkheid tot nu toe anders uit. Lenen doen ze nauwelijks. Ze kloppen liever bij hun ouders aan of gaan werken. In 1994 telde het hoger onderwijs meer werkstudenten dan ooit - 68 procent.

Ander kritiekpunt is dat de studiebeurs steeds meer instrument wordt voor onderwijsbeleid. De koppeling van beurs aan studiepunten zet studenten er toe aan sneller en efficiënter te studeren, maar kan ook het studieprogramma ontwrichten. De Technische Universiteit Delft heeft ervaren dat de tempobeursstudenten het propedeuserendement verlaagden. De eerstejaarsstudenten haalden niet hun propedeuse maar wel hun temponorm door 'makkelijke' tweedejaarsvakken te volgen. Daarnaast zet de prestatie-eis de relatie tussen studenten en docenten onder druk. Het Sociaal Cultureel Planbureau waarschuwt in dit verband voor meer beroepsprocedures, meer fraude en intimidatie door studenten, en mogelijk kwaliteitsverlies als gevolg van meegaande docenten.

“Instellingen zullen trucs uithalen, hun administratie aanpassen om te voorkomen dat studenten weglopen en het budget daalt”, voorspelt prof.dr. R.J. in 't Veld, hoogleraar bestuurskunde en in 1993 kortstondig staatssecretaris van Onderwijs. De reeks wetswijzigingen heeft geresulteerd in een labiel stelsel studiefinanciering, vindt hij. Studenten, vakgroepen, studentenadministraties zijn “allemaal lerende systemen” en zullen als “rechtgeaarde boekhouders” proberen de onaangenaamheden te omzeilen van de prestatiebeurs - “ik noem het de prestatiedinges want het is een lening, geen gift”. “Het stelsel heeft vernietigende gedragsreacties tot gevolg”, doceert hij indachtig zijn leerstuk over de verzorgingsstaat: “Elke reactie leidt tot afnemende effectiviteit van 't beleid. Dat lokt nieuwe regels uit en dat detaillisme gaat tot op de dag van vandaag door. Iedereen houdt iedereen voor de gek.”

PATERSWOLDE

In 't Veld kwam tot dit inzicht in 1987, toen de wet op de studiefinanciering nog geen jaar oud was. Op verzoek van toenmalig minister Deetman verruilde hij Berkeley voor Paterswolde om de uitkering van de studiebeurzen te stroomlijnen - doordat het ministerie vergeten was mutatieformulieren te drukken zaten in een klap 12.000 studenten zonder beurs. Zijn taak was te zorgen “dat het systeem van studiefinanciering niet in elkaar kachelde” en een beter stelsel te ontwerpen. Dat was nodig omdat de wet gedrag uitlokte dat onderschat was door de wetgever. Zo bleken 60.000 studenten meer op kamers te wonen dan geraamd, een structureel tekort van 240 miljoen gulden. Met een verschil van jaarlijks 4.000 gulden tussen een uitwonende en een thuiswonende student besloten ouderkoppels in een straat hun kinderen kruislings te verhuizen.

Zo verdienden ze 8.000 gulden bij, herinnert In 't Veld zich, daar was niets onwettigs aan. De verfijning is de makke, ontdekte hij - alleen een globaler systeem zal helpen. Hij adviseerde Deetman het onderscheid in beurs voor uitwonende- en thuiswonende studenten af te schaffen. Deetman legde het voorstel voor aan het kabinet-Lubbers II, maar dat wilde van geen wijken weten. Met controles dacht men de student wel tot respect voor de rechtsstaat te verleiden.

In 't Veld: “Maar tegen calculeren kan geen controleur op. Het kabinet was toen nog niet aan de realiteit toe en ook later niet. Nee, zolang er geen politiek draagvlak het hele systeem te ontmantelen, zwemt Ritzen steeds verder de fuik in. Terwijl het stelsel nu nog veel sterkere reacties uitlokt omdat financiering, levensonderhoud en prestaties aan elkaar zijn gekoppeld. Wat dat betreft denk ik dat de koppeling met studievoortgang funest was. Het is een illusie te denken dat je gedragsreacties daarop bestrijden kunt. Die blijven onzichtbaar, daar heeft iedereen belang bij.”

De vraag rijst of het beter kan. Ja, zeggen D66 en de vereniging van universiteiten VSNU. Ze willen een basisbeurs beperken tot twee jaar gift met een aanvullend deel voor kinderen van arme ouders, zo stelden hun woordvoerders vorige week voor. Voordeel is, vinden ze, dat hiermee “het belangrijkste doel”, de toegankelijkheid van het vervolgonderwijs, gewaarborgd blijft. De laatste jaren van de studie moeten studenten in het voorstel betalen door te lenen en/of te werken. Beide woordvoerders verwachten in dat geval een minder grote weerzin tegen lenen dan nu. Immers, na twee jaar durven studenten meer financiële risico's te nemen omdat een diploma binnen hun bereik ligt.

Een andere optie is 'academicibelasting', aangedragen door de Landelijke Studenten Vakbond. Alle afgestudeerden aan hogeschool en universiteit moeten in die opzet een extra belasting betalen, die afhankelijk is van de periode dat de betrokkene heeft gestudeerd. De opbrengsten gaan naar een fonds, samen met de vrijwillige ouderbijdragen. Uit dat fonds worden de 'beurzen' betaald.

Een nieuw stelsel studiefinanciering? Het kan de volgepakte wachtkamer op het steunpunt niet boeien. “Daarmee krijg ik mijn geld niet terug” roep Remco ter Horst - zijn tempobeurs wordt omgezet in een lening omdat hij vorig jaar te weinig studiepunten haalde op de HEAO. Ook vijfdejaars student Suzan van den Boer haalt haar schouders op - een jaar voor haar afstuderen heeft ze besloten psychologie te verruilen voor een bibliotheekopleiding. “Ik zag er geen beroep in en ga nu met geld van mijn ouders naar de hogeschool”. Alleen Marcello van achttien heeft een tip. “Vraag of ze de OV-kaart niet afschaffen.” roept hij. “Want anders kom ik de disco niet meer in.”