Twee schrijvers over de blanke voorwaarden voor Amerikaanse broederschap; Zwarte toeristen in een witte hoofdstroom

Nathan McCall belandde na een gewelddadige jeugd in de gevangenis. Sam Fulwood III ondervond dat de Amerikaanse Droom niet voor hem is bedoeld. Beiden zijn zwart - en succesvolle journalisten. Een gesprek over de Amerikaanse codetaal voor rassenkwesties en integratie als eenrichtingsverkeer. “Sommige zwarten kunnen alleen nog maar zijn wat blanken denken dat ze zijn.”

Nathan McCall: 'Makes Me Wanna Holler; A Young Black Man in America' Vintage Books New York . Sam Fulwood III: 'Waking from the Dream; My Life in the Black Middle Class' Anchor Books New York.

Het raam waar de moordenaar door schoot is weg, het hele huis is weg. Een bakstenen muur scheidt het hoge groen dat er nu woekert van het keurige straatje waaraan het motel ligt - tegenwoordig een trekpleister voor toeristen en schoolklassen, zwart en blank, die Memphis aandoen. Aan de overloop waar Martin Luther King jr. stond toen hij op 4 april 1968 werd vermoord, hangt een krans. De vitrages van zijn kamer zijn gesloten.

Het Lorraine Motel was ooit het enige hotel in deze gesegregeerde stad waar zwarten zonder problemen een kamer konden huren. Het is nu een monument ter nagedachtenis aan King, en tegelijk een museum gewijd aan de lange strijd die zwarte Amerikanen hebben gevoerd voor gelijke rechten. Je kunt er met blote voeten door wattig katoen lopen, zoals het geplukt werd door de slaven. Je kunt er een autobus binnengaan en de stem van de chauffeur horen zeggen dat zwarten achterin moeten gaan zitten. De geschiedenis van de zwarten in Amerika, en vooral de beweging die in de jaren vijftig en zestig vocht voor hun burgerrechten, wordt er nuchter verteld, getoond en voelbaar gemaakt.

De hotelkamer van King is ingericht zoals hij er uitzag op de dag van de aanslag, inclusief volle asbakken en vieze koffiekopjes. Fragmenten zijn te horen uit zijn beroemdste toespraken, zoals de I Have a Dream-rede waarmee hij in 1963 de honderdduizenden deelnemers van de Mars op Washington toesprak vanaf de trappen van het Lincoln Memorial.

King sprak toen over zijn droom “dat mijn vier kleine kinderen ooit in een land zullen wonen waar ze niet beoordeeld worden op de kleur van hun huid maar op hun karakter”, zijn droom dat “ooit de zonen van voormalige slaven en de zonen van voormalige slavenhouders samen aan de tafel der broederschap kunnen zitten”.

Het klinkt nog altijd hartverscheurend en urgent. De droom is immers nog lang niet uitgekomen. Maar het klinkt ook als de droom van een vorige generatie. Steeds meer zwarte Amerikanen hebben het ideaal van integratie opgegeven. Met de dromen van de burgerrechtenbeweging kunnen ze in de jaren negentig niet meer uit de voeten.

“Integratie werkt alleen als het wederzijds is, als ik jou kan accepteren en jij mij”, zegt Nathan McCall (1954) tijdens een lunch in een soul food-restaurant in het centrum van Washington. Hij maakte naam met een openhartig en soms huiveringwekkend boek over zijn gewelddadige jeugd, zijn verblijf in de gevangenis en zijn succesvolle loopbaan in de journalistiek. Van het omslag van zijn boek, Makes Me Wanna Holler: A Young Black Man in America, kijkt hij de wereld half uitdagend, half wantrouwend aan, in een vest met Afrikaans motief en met op zijn hoofd de toque die black muslims dragen. “Het werkt niet wanneer jij mij alleen maar accepteert als ik net zo denk als jij, me net zo gedraag als jij en er net zo uitzie als jij. Mijn taalgebruik kan ik misschien nog wel aanpassen, zoals veel zwarten doen, en ook mijn normen en waarden, zoals ook veel zwarten doen. Maar andere dingen kan of wil ik niet veranderen” - en hij wijst op zijn gezicht.

Met zijn autobiografie geeft McCall een stem aan een generatie ontspoorde zwarte jongeren die heen en weer geslingerd worden tussen woede en wanhoop. Zijn vakgenoot, de journalist Sam Fulwood III, heeft de teleurstelling verwoord van de nieuwe zwarte middenklasse. Opgevoed met het ideaal van integratie van de rassen was Fulwood (1956) vastbesloten om zijn deel op te eisen van de American Dream. Maar de werkelijkheid van de Amerikaanse maatschappij, met al haar subtiele vormen van racisme, was een bittere ontnuchtering voor hem. Over de teloorgang van zijn illusie schreef hij het boek Waking from the Dream: My Life in the Black Middle Class. Van het omslag kijkt hij zorgelijk de wereld in: met zijn vrouw en dochtertje staat hij tegen de achtergrond van een glanzend geverfde voordeur en een glimmende koperen buitenlantaarn, niet mis te verstaan als tekens van Het Eigen Huis, symbool van maatschappelijk, althans van materieel succes.

Zo verschillend als de levensverhalen van McCall en Fulwood zijn, zo eensluidend is hun oordeel over wat het betekent om zwart te zijn in Amerika. “Mijn generatie is zo teleurgesteld door het aanhoudende racisme, dat we onze pogingen om op te gaan in de hoofdstroom van de samenleving hebben opgegeven”, zegt Fulwood. “Integratie is altijd eenrichtingsverkeer geweest. Het betekende bijvoorbeeld dat zwarten in blanke buurten moesten gaan wonen. Maar niemand zegt tegen blanken dat zíj moeten integreren. Na twintig jaar hebben zwarten ontdekt dat ze veel opgaven en er bijna niets voor terugkregen.”

Fulwood, die in Washington correspondent is voor de Los Angeles Times, vestigde zich in een van de welgestelde buitenwijken van de Amerikaanse hoofdstad waar vrijwel uitsluitend zwarten wonen. “Met tegenzin, maar meer op mijn gemak dan ik me op enige andere plaats zou voelen.” McCall zegt: “Overal in Amerika maken mensen je bewust van je huidskleur. Ze staren je aan of reageren op een manier waaruit blijkt dat ze bang voor je zijn. Als ik thuiskom wil ik me geen zorgen meer hoeven maken over iemand die geen zwarten in de buurt wil, over de haat en angst van onbekenden. Daar gaat een enorme druk van uit. Daar wil ik ook mijn kinderen niet iedere dag aan blootstellen. De enige plaats waar je aan die druk kunt ontsnappen is temidden van je eigen mensen, in een totaal gesegregeerde omgeving.”

Vergrendeling

Een jaar geleden, op 16 oktober 1995, kwamen honderdduizenden zwarte mannen naar Washington om uiting te geven aan hun verbondenheid, en aan hun vastberadenheid om de positie van de zwarten in Amerika te verbeteren. De werkloosheid onder zwarten, vooral zwarte mannen, is veel hoger dan onder blanken. Meer dan de helft van de zwarte kinderen groeit op zonder vader. En een derde van de jonge zwarte mannen zit in de gevangenis of staat onder toezicht van justitie. “Er zijn in dit land maar weinig zwarte families waarvan niemand in de gevangenis heeft gezeten”, schrijft McCall.

De Million Men March, zoals de bijeenkomst werd genoemd, was genspireerd op de mars van Martin Luther King, 32 jaar eerder. Maar anders dan toen was de demonstratie van vorig jaar niet bedoeld om de aandacht van de rest van Amerika te vragen. Voorop stond de gedachte dat de zwarte gemeenschap op zichzelf is teruggeworpen en maar beter zelf verantwoordelijkheid kan nemen voor haar problemen. Dat de betoging was georganiseerd door de omstreden Louis Farrakhan, berucht om zijn anti-blanke (en antisemitische) uitspraken, versterkte de indruk dat de mars separatisme bepleitte - ook al onderstreepten veel deelnemers dat ze niet voor Farrakhan waren gekomen, maar om als zwarte mannen hun saamhorigheid te tonen.

De verhouding tussen blank en zwart in Amerika was kort voor de mars al onderwerp van heftige discussies geworden, toen een jury in Los Angeles de zwarte ex-sportheld O.J. Simpson vrijsprak van de moord op zijn (blanke) vrouw. De sterk verdeelde reacties op het vonnis brachten een diep onbegrip aan het licht tussen blanke en zwarte Amerikanen: dezelfde werkelijkheid, dezelfde feiten, bleken ze op volkomen verschillende manier te zien. Het onbegrip over en weer was totaal. McCall en Fulwood vertellen allebei, vanuit hun verschillende perspectieven, hoe de wereld er voor een zwarte man in Amerika uitziet.

“Ik heb een beter leven dan de meeste mensen op de wereld, dus waar klaag ik over?”, vraagt Fulwood retorisch. “Als je succes hebt in je loopbaan, is de gedachte vaak, dat je alle moeilijkheden kennelijk hebt overwonnen. Maar ik ben nog steeds gefrustreerd, en soms woedend, dat het eerste wat mensen opmerken, vóór al het andere, mijn huidskleur is. Vaak hoeven ze dan verder al niets meer te weten.”

Woede is een alledaagse gemoedstoestand voor veel zwarte mannen, zegt McCall. “Toen ik bij The Washington Post kwam werken, woonde ik in een appartement in een grotendeels blanke buurt. Elke ochtend was me voor ik achter mijn bureau zat, al iets overkomen wat me boos maakte. In de lift van het appartementengebouw verstijft iemand die me binnen ziet komen, of klemt haar tasje vast. Op straat rijden alle taxi's door. Je loopt langs een auto en opeens hoor je de automatische vergrendeling dicht slaan. Ik probeer het te negeren, want het vreet aan je. Maar onwillekeurig valt het je toch op. Een winkelbediende die pal achter je komt staan omdat hij bang is dat je iets steelt. Alle zwarten maken het mee. Veel blanken denken dat er geen reden meer bestaat voor onze woede. Maar als zij dag in dag uit hetzelfde meemaakten, zouden ze ook bitter worden.”

McCall zegt het met een vriendelijke maar gelaten lach, alsof hij bijvoorbaat al weet dat een blanke zich daar geen voorstelling van kan maken. Zijn woede is een stille woede, die schuil gaat achter een joviale hartelijkheid - ook al wil hij het af en toe, zoals de titel van zijn autobiografie zegt, wel uitschreeuwen. “Als woede je normale stemming is, wil je die maar al te graag verdringen. Daarom ook was de Million Men March zo'n succes: het was een gelegenheid om onze woede aan de kant te zetten. Wat moeten zwarten nog meer doen om hier thuis te horen?” In zijn boek noemt hij zich, ondanks de carrière die hem na zijn bestaan van gevaarlijke roofovervaller en bajesklant tot gerespecteerd auteur maakte, nog altijd “een toerist in de witte hoofdstroom”.

Gangsta-rap

Het idee van de Amerikaanse samenleving als smeltkroes, waarin alle culturen opgaan om één Amerikaanse identiteit aan te nemen, heeft voor veel zwarten allang afgedaan. “We bleken niet te smelten”, heeft dominee Jesse Jackson eens gezegd. Voor er sprake kan zijn van gelijkwaardige positie van de zwarten in de Amerikaanse samenleving, zo is nu de gedachte, moet de zwarte gemeenschap eerst haar zelfvertrouwen en onafhankelijkheid vinden.

“Een van de grote fouten van de burgerrechtenbeweging', zegt McCall, “was dat ze zwarten aanmoedigde om te integreren door banen aan te nemen in de blanke wereld. Het was beter geweest hen te stimuleren zelf bedrijven, scholen en andere instellingen op te zetten. Nu is de kerk nog altijd een van de weinige instellingen waarop we kunnen terugvallen. Onderzoek geeft aan dat zwarte kinderen die opgroeien in een gesegregeerde omgeving, die op een zwarte school zitten, doorgaans beter presteren. Ze hoeven zich niet voortdurend staande te houden in een omgeving die op zijn best onverschillig, maar vaker vijandig is. Het gevaar is groot dat jongeren dan vervallen in zelfhaat.”

De populaire gangsta-rapper Tupac Shakur, die vorige maand omkwam nadat hij in Las Vegas was beschoten, was daarvan volgens McCall een goed en schrijnend voorbeeld. “Racisme tast je eigendunk aan. Sommige zwarten verinnerlijken al het slechte dat blanken over hen zeggen, ze kunnen alleen nog maar zijn wat blanken denken dat ze zijn. Er zijn zoveel zwarten die zichzelf en andere zwarten daardoor haten.

“Het geweld en de vijandigheid in de gangsta-rap zijn daar een uiting van. Sommige teksten van Tupac Shakur zijn echt krankzinnig, letterlijk ziek. Bitterheid en woede kunnen je overweldigen, en dan keert het zich tegen jezelf. Voor mij is het ook een voortdurende strijd om niet zó bitter te worden dat ik er onderdoor ga. Het beeld dat blanken van mij hadden, heb ik volledig moeten verwerpen voor ik mezelf kon zijn'.

Sam Fulwood, die in de journalistiek een snelle carrière maakte bij grote kranten als de Baltimore Sun en de Atlanta Journal/Constitution, heeft met zijn positie bij de Los Angeles Times de eredivisie van de Amerikaanse krantenwereld bereikt. Zijn ervaringen op de verschillende redactiezalen hebben hem duidelijk gemaakt dat zijn ras ook daar altijd een rol speelt. Bij elk sollicitatiegesprek dat hij gevoerd heeft vroeg hij of hij was uitgenodigd op grond van zijn ras. “Ik weet dat het meespeelt, en het is prettig als mensen daar open over zijn. Ik ben heus nooit aangenomen door mensen die er vervolgens toevallig achter kwamen dat ik zwart was. Ik heb altijd een baan gekregen omdat men een vacature voor een zwarte redacteur had.” In de kantoortuin waar de dertig man sterke Washingtonse redactie van zijn krant zetelt, wijst Fulwood op zijn bureau. “Toen ik zeven jaar geleden bij de L.A. Times kwam volgde ik een andere zwarte journalist op, die ook hier zat. Sindsdien is er geen zwarte meer bijgekomen. Maar ik weet dat ze weer naar een zwarte op zoek gaan als ik vertrek.”

De plaats waar blanken en zwarten de grootste kans hebben elkaar te leren kennen, op het werk, is een van de meest gespannen terreinen van confrontatie geworden, schrijft Fulwood in zijn boek. Ter illustratie put hij uit eigen ervaringen, waarvan de journalistieke botsingen de interessantste zijn. In een artikel over de uiteenlopende opvattingen van zwarte Amerikanen over Colin Powell had Fulwood, zonder zijn eigen mening te geven, zowel sceptici als bewonderaars van de generaal aan het woord gelaten. Maar een blanke eindredacteur meende dat de grotendeels blanke lezers van de krant wat meer context nodig hadden. Hij wilde het stuk laten beginnen met de zin: “Generaal Colin Powell zou in ieder opzicht een held moeten zijn voor zwarte Amerikanen. Maar...” Fulwoods woede over het feit dat zijn stuk zo drastisch was herschreven, werd nog verhevigd doordat de redacteur zich aanmatigde te weten hoe zwarte Amerikanen over iets moeten denken. Dergelijke incidenten noemt Fulwood “kleine moorden van onze ziel”. Er iets van zeggen, heeft hij geleerd, levert je een reputatie op van overdreven gevoeligheid of arrogantie.

Code-taal

Het onbegrip tussen blank en zwart mag vorig najaar het Amerikaanse openbare debat maandenlang beheerst hebben, in de verkiezingscampagne die zich nu afspeelt, wordt de kwestie vrijwel niet aangeroerd. Zelfs aan het omstreden beleid van positieve discriminatie lijkt geen van de kandidaten zijn vingers te willen branden. Maar McCall gelooft dat iedere Amerikaan beseft dat het tussen de regels door iedere dag juist gaat over blank en zwart. De dingen worden alleen indirect benoemd.

“Het is een code-taal, waarmee je de indruk kunt vermijden dat je een racist bent. Als politici het hebben over hervorming van de bijstand, over het openbare onderwijs of over de groeiende misdaad, dan weten hun kiezers precies dat het eigenlijk gaat over zwarten, en daar spelen de politici op in. Dat de meeste mensen die in de bijstand zitten blank zijn, weet de gemiddelde kiezer niet.”

Amerikanen houden er nu eenmaal niet van om in directe taal over rassenkwesties te spreken, zegt Fulwood. “Aan beide kanten bestaat die weerstand. We hebben het liever over 'die mensen', dan over zwarten of blanken. Iedereen begrijpt wat je bedoelt, maar niemand kan het ooit bewijzen. Alsof we door dat indirecte taalgebruik minder verantwoordelijkheid hoeven dragen voor de problemen.

Kwesties die de zaak bespreekbaar maken, dienen zich met grote regelmaat aan, zegt Fulwood. Het proces van O.J. Simpson, de affaire-Rodney King (de zwarte automobilist die voor het oog van een videocamera door politie-agenten werd afgetuigd), de hoorzittingen over de zwarte kandidaat-opperrechter Clarence Thomas (die zich voor een openbare senaatscommissie moest verweren tegen aantijgingen van seksuele intimidatie van de eveneens zwarte Anita Hill), de Million Men March, enzovoorts. “Dan dringen de moeilijkheden zich even onstuitbaar naar de voorgrond. Maar na een tijdje verdwijnen al die kwesties weer uit de belangstelling en daarmee verdwijnt dan ook de politieke noodzaak om de raciale problemen aan te pakken.”

Maar is de populariteit van de zwarte generaal buiten dienst Colin Powell, en de hoop van veel blanke en zwarte Amerikanen dat hij zich verkiesbaar zou stellen voor het presidentschap, niet een teken dat miljoenen snakken naar een leidersfiguur die zwart en blank samen kan brengen? “Het lijkt erop, maar ik kan niet geloven dat het echt zo is”, zegt Fulwood. “Ik denk dat veel blanken verwachtten dat Powell die onaangepaste zwarten wel eens orde zou bijbrengen. Maar dat deed hij niet. Hij zei: Ik ben een Republikein, en ik zal die blanke Republikeinen eens de waarheid vertellen. Hij bleek voor controle op vuurwapenbezit te zijn, voor het recht op abortus en voor positieve discriminatie. Ze schrokken zich dood, hij bleek op die onderwerpen ineens links te zijn! Ik ben ervan overtuigd dat hij geen schijn van kans had om tot president gekozen te worden, hoe graag ik het ook gezien had.”

De zwarte leider waarvan iedereen, van links tot rechts, zich tegenwoordig een respectvol aanhanger toont, is Martin Luther King. Zelfs op de Republikeinse conventie in San Diego werd de leider van de burgerrechtenbeweging in menige toespraak aangeroepen. “Weet je waarom?', zegt Nathan McCall bijtend. “Omdat hij dood is. Omdat hij niemand meer kan uitdagen of tegenspreken. Let maar op wat er met Jesse Jackson gebeurt als hij dood gaat. Nu wordt hij door veel blanken gehaat, net als Martin Luther King indertijd, maar dan zal iedereen hem in zijn armen sluiten.”

In Memphis bewaart het National Civil Rights Museum, in het oude Lorraine Motel, de idealen van de burgerrechtenbeweging. Veel zwarten mogen de droom van King voor huidige tijd onvoldoende vinden, op den duur zal die droom toch onmisbaar blijken, gelooft Fulwood. “Ik ben een afvallige integrationist. Maar diep in mijn hart weet ik dat integratie op den duur de beste en de enige manier is om de Amerikaanse samenleving bijeen te houden. Maar dan moet iedereen wel meedoen.”