Tribune

In Rotterdam worden maandag de finales van het Nederlands kampioenschap boksen voor amateurs gehouden. Is het een goede ontwikkeling dat steeds meer amateurboksers al vroeg kiezen voor een profloopbaan?

Hennie van Bemmel, bondscoach van de Nederlandse boksamateurs: “Met jongens die prof worden zoals Hans Janssen en Orhan Delibas heb ik niet zoveel problemen. Hoewel ik in het geval van Orhan natuurlijk liever had gezien dat hij had gewacht tot na de Olympische Spelen. Beiden hebben een goede staat van dienst opgebouwd in het amateurboksen. Het zijn mensen die het een en ander bij elkaar hebben geslagen en dus klaar zijn om de stap te maken. De laatste jaren zie je een tendens dat jongens die niets hebben gepresteerd prof worden. Dan praten we over jongens die nog niet eens aan de NK hebben meegedaan. Wat hebben zij in hemelsnaam bij de profs te zoeken? Zij staan niet bepaald garant voor een flitsende profcarrière. Het probleem is dat sommige Nederlandse managers in het geweer zijn gekomen toen enkele kopstukken naar Amerika vertrokken. Voor hen bleef er niets meer over. Maar ook zij moeten hun profgala-avonden vullen. En dus worden sommigen profbokser, alleen maar om zulke avonden te vullen. Uit sportief oogpunt heb ik daar moeite mee.”

Henk Rühling, bokspromotor: “Het is een goede zaak voor het professionele boksen, niet voor de amateursport. Maar ik vraag me af of er tegenwoordig meer amateurs zijn die de stap maken. Een goede manager neemt alleen boksers aan van wie hij denkt dat ze ver kunnen komen. Het is altijd zo geweest dat een bepaald percentage van de profs niet in die wereld thuishoort. Andersom geldt dat ook, er zijn ook boksers die altijd amateur zijn gebleven en die als prof waarschijnlijk heel veel geld hadden kunnen verdienen. Tsja, en wie de stap toch maakt en niet goed genoeg is, valt vanzelf af. Alleen de sterken gaan door. Daarom vind ik het geen groot probleem.”

Orhan Delibas, sinds een jaar profbokser: “Het is een slechte zaak dat iedereen zo maar professional wordt. Het is een beroep, je moet kennis en ervaring hebben. Wie zijn amateurtijd overslaat, heeft daar ook zichzelf mee. In het begin van mijn profcarrière heb ik veel tegen jongens uit het Oostblok en de VS gebokst. Vooral in Europa bokste ik tegen tegenstanders van wie ik dacht 'God, die zijn als amateur al nooit goed geweest'. In Amerika worden ze ook snel prof, maar daar heb je broodvechters, boksers die vechten voor hun bestaan. Hier hoeft dat niet. Als je geen werk hebt, krijg je toch geld. Veel boksers willen zo vlug mogelijk prof worden om snel geld te verdienen. Zo simpel ligt dat natuurlijk niet. Je moet eerst een bepaalde status hebben.”

Peter Blommaert, bokspromotor en jeugdvriend van Regilio Tuur: “Ik weet niet of het aantal boksers dat zonder staat van dienst prof wordt, groot is. Wij zullen zoiets nooit aanmoedigen. Wie bij ons prof wordt, is meestal al veelvuldig Nederlands kampioen. Als amateur leer je nog heel veel, op de training en tijdens wedstrijden. Het is daarom belangrijk zo veel mogelijk te spelen. Maar ik kan me voorstellen dat iemand een stijl heeft die niet aanslaat bij de amateurs. Te explosief en met veel stoten op het lichaam. Zo'n bokser voelt zich dan niet thuis bij de amateurs en kan een proflicentie aanvragen. Je hebt ook jongens die acht amateurpartijen achter hun naam hebben en daarin blijk geven van zoveel talent, fysieke kracht en wilskracht, dat ze ook prof worden. Die komen er toch. Maar in zijn algemeenheid gaat het erom dat je op een verantwoorde manier bezig bent en dat moet je van persoon tot persoon bekijken.”

Ron Rovers, trainer van bokser Hans Janssen die prof werd nadat hij de Olympische Spelen miste: “Het is een slechte zaak. Iedereen wil prof worden, de boksers lopen elkaar in de weg. Sommigen hebben als beweegreden 'Ik haal de top toch niet, ook niet als amateur'. Dat zijn geen strebers, die hoeven de top niet te halen. Die willen gewoon in hun eigen stad een profwedstrijd boksen. Roem en eer vergaren in hun woonplaats, daar gaat het ze om. Die gasten werken vaak in de horeca of zo. En dan beuren ze ook nog wat centjes voor hun hobby. Kunnen ze een keer van op vakantie. Tegen zulke boksers speelt Hans dus niet. Iemand die kijkt en omvalt, daar heeft niemand wat aan. Je kunt er nog van verliezen ook, omdat je ongemotiveerd bent. Dat is net als met voetbal, een wedstrijd tussen twee topploegen is vaak leuk. Als een topper tegen een zwak team speelt, is het vaak rommelig en zie je zelfs regelmatig dat de slechte ploeg wint.”