Straatleven; De vrouw met de deken

Zij werkt in lijn 6, soms ook in de 4 of 5. Vanaf Grand Central tot diep in de Bronx. Zij gaat gekleed in een paardendeken, wat daaronder zit is onduidelijk. Ze draagt iets wat op een broek lijkt en slippers.

Op een middag bood een dame in de metro de vrouw met de deken haar schoenen aan. Natuurlijk niet de schoenen die ze aan had. Maar oude schoenen die in een plastic zak zaten. Het was onduidelijk of de dame die schoenen toevallig bij zich had of dat ze echt haar huis die ochtend had verlaten met het doel iemand gelukkig te maken met haar oude schoenen.

De vrouw in de deken wees op haar voeten. De dame bekeek de voeten. Die voeten waren opgezwollen. Die pasten niet meer in schoenen. Dat begreep de dame ook wel, dus hield ze haar schoenen.

“Geld?”, informeerde de vrouw in de deken, maar dat had de dame die haar schoenen wilde weggeven niet. Het waren haar schoenen of niets, en toen werd het dus niets.

De vrouw in de deken herhaalt steeds dezelfde zin: “Ik heb aids en een kind.” Ze doet geen moeite boven het lawaai van de metro uit te komen. Het is bijna een gebed, maar het heeft ook wel wat van het monotone gemompel van een gek. Of dat kind van haar ook aids heeft is onbekend. We krijgen dat kind nooit te zien. Terwijl toch genoeg collega's van haar met kind en al door de stad sjokken. Misschien had ze een kind.

Het is niet prettig naar haar te kijken. Dat doen de meeste mensen dan ook niet. Nog onprettiger is het als ze tegen je aan valt. Vooral als het spitsuur is. Er zijn dan altijd weer een paar mannen en vrouwen die zich uit de voeten maken voor de vrouw met de deken.

De huid van haar gezicht lijkt nauwelijks meer op huid. Daarvoor is die huid te vies en zitten er te veel wonden op. Eigenlijk is haar gezicht één korst, en haar haren zijn ook korsten, net als haar benen, en haar voeten zijn opgezwollen korsten. Je zou haar kunnen omschrijven als een wandelende korst. Dat ze een sterke geur verspreidt lijkt me duidelijk. Omdat ze zo weinig op een mens lijkt en zoveel gelijkenis vertoont met een wandelende korst heeft ze moeite met geld op te halen. Maar als één iemand geeft komen er altijd wel twee of drie bij. De eerste is de moeilijkste. De eerste is cruciaal. Elk metrostel weer.

Een keer verliet ze de metro, en toen vroeg een man die al die tijd gebogen had gezeten over een kruiswoordpuzzel: “Hoe lang heeft zo iemand nou te leven?”

We keken elkaar aan, heel even maar, zonder elkaar echt aan te kijken.

In bijna elke bibliotheek kan je gegevens vinden over de gemiddelde levensduur van een wandelende tak, maar dat soort gegevens over een wandelende korst, waar vind je die? “Ik zie haar al twee maanden, bijna iedere dag”, zei een meisje.

En toen zei de man met het kruiswoordpuzzel: “De winter zal ze wel niet halen.”

Daarover waren we het allemaal eens. De winter zal ze wel niet halen. Dus wisten we toch iets over het leven van de wandelende korst.

Sinds een paar dagen zegt ze niet meer “ik heb aids en een kind”, alleen nog maar “ik heb aids”.

Waarschijnlijk overbodig, maar ook haar mond is een korst, met drie, vier verdwaalde tanden erin. Verbazingwekkend eigenlijk hoe hardnekkig tanden kunnen zijn.

“Dank je” mompelt ze ook al niet meer. De behoefte om te spreken neemt natuurlijk af. Straks mompelt ze alleen nog maar “aids”. Tot ook dat gemompel zal verdwijnen. Vóór de winter, zoveel is in ieder geval zeker.