Straatleven; De verborgen dakloze

Hij is nu al weer drie maanden 45. Hij woont samen met zijn ouders in een huis met een tuin op Long Island. Hij is concertpianist. Dat was de bedoeling in ieder geval. Hij is het nooit geworden. Zijn ouders hebben tienduizenden dollars in zijn carrière geïnvesteerd, maar het heeft niet geholpen. In de woonkamer staat een reusachtige vleugel. Alleen die vleugel herinnert nog aan de concertpianist die hij ooit geweest is, of beter gezegd, die hij had moeten worden.

Sommige mensen worden niet wat ze hadden willen worden en worden boos, anderen berusten. De verborgen dakloze is van het berustende soort.

Twee keer per week gaat hij zonder begeleiding naar Manhattan. Daar loopt hij zijn vaste parcours. Zevende Avenue, 42ste Straat, tot Vijfde Avenue, en de vijfde dan naar beneden tot de tiende, en dan de zevende weer omhoog. Onderweg koopt hij een bagel die hij al lopend opeet.

Vlak voor hij de trein weer naar huis neemt, drinkt hij nog een groot glas sinaasappelsap in een café op de Zevende Avenue. Hij mag geen druppel alcohol hebben. Dat gaat slecht met de medicijnen die hij van de dokter krijgt. Vroeger dronk hij wel eens wat. Alcohol noemt hij 'zelf-hulp'. De pillen zijn 'hulp van de dokter'. Hij zegt het zo: “Vroeger hielp ik mezelf, en nu helpt de dokter me.”

Met zijn ouders praat hij niet meer en zij ook niet met hem. Alleen zijn moeder schreeuwt nog wel eens. “Blijf toch ten minste bij het eten zitten.” Want dat is zijn probleem. Hij kan niet blijven zitten, vooral thuis niet. Hij moet lopen. Niet dat hij wegloopt, hij loopt gewoon in huis, van de woonkamer, naar de zitkamer, langs de vleugel, dan de gang in, op naar de keuken en dan weer terug de zitkamer in. Zo gaat het hele avonden door. En het verveelt hem nooit. “Lopen is fijn”, legt hij uit, “lopen is heel fijn.”