SPORT BIEDT MEER DAN OPWINDING

Politici en prinsen lopen voorop als topsporters een bijzondere prestatie leveren. Maar wat is de relevantie van amateursport voor de samenleving? Socioloog Maarten van Bottenburg schreef samen met collega Kees Schuyt een rapport over sportbeleving. “Sport roept spanning op, plezierige spanning.”

Wie niet is betrokken bij sport, verkeert in een uitzonderingspositie. Aan sport valt niet meer te ontkomen. De media schreeuwen om het hardst wanneer triomfen zijn behaald op tegenstanders van buiten de landsgrenzen, wanneer medailles zijn veroverd en prestaties van zeldzame omvang zijn verricht. De volksvertegenwoordigers lopen voorop in polonaises alsof de wereldvrede is bereikt, verheffen slechts een vermanende vinger wanneer de regels van het spel zijn overtreden en roepen verontwaardigd ach en wee wanneer rondom een voetbalstadion vijandelijke aanhangers elkaar de hersens inslaan.

Maar er is meer dan heldendom en collectieve opwinding waaraan de sport zijn maatschappelijke betekenis ontleent. Achter successen en olympische medailles gaat een wereld schuil die mogelijk van grotere relevantie is, maar weinig aandacht krijgt omdat ze eenvoudigweg buiten het licht van de volle maan valt. In die wereld vinden mensen vooral plezier in het leven. Door (met elkaar) te sporten bouwen mensen vriendenkringen op, doen leren ze besturen, vergaderen en samenwerken. en verbeteren ze hun gezondheid. Sport heeft meer om het lijf, sport is van grote sociale betekenis. Dat is wat de sociologen dr. Maarten van Bottenburg en prof.dr.mr. Kees Schuyt betogen in hun rapport De maatschappelijke betekenis van sport, hetgeen in opdracht van NOC*NSF werd geschreven.

In een eerste reactie op het rapport onderkende premier Kok vorige week tijdens de overhandiging de relevantie van sport in de samenleving. Zonder toezeggingen van financiële orde te doen, hield Kok tot tevredenheid van Van Bottenburg een “zeer positief” verhaal. Dit in tegenstelling tot het antwoord dat Koks voorganger Lubbers vier jaar geleden gaf op het AT Kearney-NOC*NSF-rapport van 1992 Sport als bron van inspiratie voor onze samenleving, waarin de premier zijn oordeel afdeed met de verwijzing dat de sport het zelf wel kon rooien. Samen met de kritiek dat het AT Kearny-rapport de maatschappelijke betekenis van sport te eenduidig en onproblematisch voor het voetlicht bracht, was dat de reden voor NOC*NSF om een nieuw, genuanceerder en evenwichtiger rapport samen te stellen.

“Onze opdracht is geweest”, zegt Van Bottenburg, “niet alleen positief over sport te zijn, maar ook negatieve aspecten te belichten. Een balans vinden. Ik veronderstel dat Kok daarvan is doordrongen. Zijn toezegging om voor sport een plaats in te ruimen in de plannen van het kabinet voor de volgende eeuw is een erkenning van de sociale betekenis van sport.”

Dat activering van mensen door sportbeoefening de Nederlandse samenleving volgens de meest recente gegevens 400 miljoen gulden kan besparen, is volgens Van Bottenburg niet eens het belangrijkste van sport. “De betekenis van sport gaat verder. Plezier, socialisatie, werkgelegenheid, integratie, emancipatie, identificatie, normbesef, zelfwaardering en competitiviteit. Ik ben voor mijn onderzoek in de Bijlmerbajes geweest. Uit gesprekken met gedetineerden en bewakingsfunctionarissen bleek dat sport een geweldige betekenis heeft. Een keer niet mogen sporten, wordt als een zware straf voor de gevangenen ervaren. Sport geeft hun de kans de monotonie te doorbreken, zich even uit te leven en spanningen op gezonde wijze af te reageren. Dat kan tegelijkertijd de taken van de bewakers sterk ontlasten. Zij vragen regelmatig of de sportdocent voor een pittig uurtje wil zorgen zodat lastige, agressieve gedetineerden 'rustig worden gemaakt'. Daarbij komt dat het sporten ook wordt gebruikt als onderdeel van de resocialisatie. Tijdens het sporten dienen gedetineerden zich aan allerlei gedragsregels te houden en worden zij veelvuldig aangesproken op hun verantwoordelijkheden, in de stille hoop dat toch enige invloed zal uitoefenen op hun algemene levenshouding.”

In hun literatuuronderzoek stuitten Van Bottenburg en Schuyt onvermijdelijk op Amerikaanse bevindingen. Zelfwaardering is bijvoorbeeld een zware term die in de Amerikaanse cultuur gretig wordt aangewend wanneer de betekenis van sport ter discussie wordt gesteld. “Als je kijkt wat zich in de sportscholen van New York en Chicago afspeelt”, zegt Van Bottenburg, “daar houdt boksen jongens van de straat. De sportscholen geven structuur aan hun leven, zodat ze niet vervallen tot drugsverslaafden, criminelen of zwervers. Ze doen wat met hun leven, ze geven er inhoud aan. En omdat ze boksers zijn, worden ze er door hun vrienden ook niet op aangekeken dat ze niet meedoen aan het streetlife. Ze krijgen bewondering, omdat ze keihard trainen en misschien kampioen worden.”

Maar zijn er dan geen minder vechtlustiger oplossingen om mensen tot het realiseren van onderlinge vrede aan te moedigen? Is strijd en creëren van spanning dan de enige remedie tegen het onrecht in de wereld? “Sport roept spanning op, plezierige spanning, omdat er zoveel mogelijk voor wordt gezorgd dat iedereen een tegenstander van gelijk niveau heeft”, weet Van Bottenburg die voetballen, wielrennen, schaatsen en hardlopen tot zijn geliefde sportieve bezigheden rekent. “Zonder die spanning is het niet leuk. Als er geen spanning is, worden de regels veranderd om de spanning te herstellen. En is het niet zo dat het omgaan met rivaliteit en spanning de samenleving in beweging houdt? In de sport oefen je verschillende deugden die in de samenleving van nut zijn, zoals loyaliteit en normgedrag. Wie regels overtreedt, krijgt een waarschuwing of wordt gestraft. Socialisatie is er niet alleen door sport, ook door de kerk, het gezin of soms door het arbeidsmilieu. Maar als sport een bijdrage kan leveren is dat meegenomen.”

Van Bottenburg promoveerde twee jaar geleden op het proefschrift Verborgen competitie. Over de uiteenlopende populariteit van sporten. Zeven miljoen Nederlanders doen weleens aan sport, weet hij nu. “En dat is erg veel. En dan nog de vele vrijwilligers die zich in de begeleidingssfeer bevinden. Een kader dat niet altijd over de vereiste kennis beschikt, maar wel omwille van sociale motieven bij een vereniging is aangesloten. Er ligt in de sport een groot potentieel aan arbeidsplaatsen. De taken van de sportverenigingen worden steeds omvangrijker. Veel klussen blijven liggen. Het zou dan ook een goede zaak zijn als er een specifiek sportwerkgelegenheidsprogramma komt. Dat kan tegelijkertijd zorgen voor een gedeeltelijke professionalisering van het vrijwilligerswerk. Plezier is leuk, maar vrijwilligerswerk heeft grenzen.”

Topsport krijgt de meeste aandacht. De winnaars dienen als voorbeeld voor de jeugd die zich in de sport begeeft. Maar ook de verliezers hebben een functie. Wie verliest dient zich te gedragen als een man van eer en niet als een beest dat de wereld verafschuwt en de schuld van zijn nederlaag afschuift. Topsporters en hun trainers blijken nauwelijks in staat een nederlaag sportief te aanvaarden. We hebben het over de voorbeeldfunctie van een topsporter, van een zich misdragende voetballer tot een wielrenner of atleet die zich tot doping verlaagt. Van de tragiek van Diego Maradona en Paul Gasgoigne tot het schizofrene gedrag van Edgar Davids en de jeugdige overmoed van Patrick Kluivert buiten het stadion, jongens die uit een milieu komen waarin normbesef nauwelijks betekenis heeft. “Topsporters hebben sowieso een verantwoordelijkheid. Daar moeten ze maar aan wennen”, meent Van Bottenburg. “Iedereen heeft een verantwoordelijkheid, ook in de sport. Want de jeugd spiegelt zich aan de mensen die succesvol zijn.”

Van Bottenburg wijst op de olympische successen van de roeiers, de volleyballers, de hockeyers en de triomfen van de Ajacieden. “Dat zijn toch sporters die laten zien dat sport op een sportieve manier tot succes kan leiden. Zo verwonderlijk zijn de problemen van Maradona en Gascoigne natuurlijk niet. Ga er maar aan staan als jongen uit een zeer laag milieu. Opeens heb je succes, opeens ben je miljonair en draag je verantwoordelijkheid waarmee je nooit hebt leren omgaan.”

Allochtonen die zich een plaats kunnen verwerven in de samenleving, vrouwen die serieus worden genomen, lichamelijk- en geestelijk gehandicapten die zich kunnen uiten zonder zich belachelijk te maken. Wie niet kan voetballen, kan tennissen. Wie niet wil hardlopen, kan golfen. Is niet aangetoond dat bewegen gezonder is dan stilzitten, dat het menselijk lichaam positief reageert op lichamelijke spanning, dat plezier in bewegen plezier aan het leven geeft? Laat kinderen tot pakweg tien jaar niet overgeleverd zijn aan de terreur van ambitieuze vaders en trainers, betogen Van Bottenburg en Schuyt in hun rapport. “Spel geeft plezier”, zegt Van Bottenburg en hij wijst op het 'Zeister model' van de voetbalbond waarin de nadruk wordt gelegd op voetbal als spel en niet voetbal als een manier om de vijand te verslaan. “Winnen is belangrijk, maar een te grote nadruk op competitie op te jonge leeftijd kan ertoe leiden dat kinderen hun interesse in de sport juist verliezen.”

Sport verruimt het blikveld, weet Van Bottenburg. Juist door prestaties van buitenlanders worden mensen geconfronteerd met de cultuur van andere volkeren. Zoals de succesvolle bokser uit Tonga tijdens de recente Olympische Spelen de wereld attent maakte op het bestaan van een volk in een afgelegen werelddeel. Sport kan ook een vorm van ontwikkelingshulp zijn. “In Zuid-Afrika wordt sport gebruikt om de sociale integratie van verschillende bevolkingsgroepen te versterken, in het bijzonder in de sloppenwijken.”

Wanneer Ajax-aanhangers op een willekeurige zondag de neiging vertonen Utrecht-aanhangers uit te moorden, betekent dat niet dat heel sportend Nederland zich te buiten gaat aan geweld. Van Bottenburg wil zeggen dat op een dag waarop alle media de aandacht vestigen op buitensporig geweld rondom de sport het grootste deel van het land ook nog plezier beleeft aan sport. Het vergrootglas wordt aangewend als er excessen zijn. Er is meer in de sport, weet Van Bottenburg. “Al die mensen die plezier beleven, die zich kunnen uiten, die naar buiten gaan, die mensen ontmoeten, die werk vinden, die initiatieven ontplooien, die zich waardevol vinden.”

Twee jaar geleden werd 'sport' voor het eerst expliciet genoemd in de troonrede. Voor die tijd kwam de maatschappelijke betekenis van sport veel minder in het overheidsbeleid tot uiting. Misschien is sport niet het middel dat tot eeuwige vrede leidt. Misschien is sport een noodzakelijk kwaad dat de mensheid moet doorstaan om tot inzicht te komen. Van Bottenburg en Schuyt hebben zich acht maanden uit de naad gewerkt om de complexe wereld van sportbeleving structureel samen te vatten. Het is een overtuigend positief rapport geworden, waarmee de volksvertegenwoordiging binnenkort als de sportnota van staatssecretaris Terpstra is gepresenteerd haar voordeel kan doen. “We konden ons niet veroorloven de nuances achterwege te laten”, beseft Van Bottenburg. “De reacties zijn positief. Alles wat nu aan kritiek wordt aangevoerd draagt bij tot de discussie. Duidelijk is dat we gezien de reactie van Kok een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. En dat is een doorbraak voor de sport, hoop ik.”