Snijden in de diepzee; Zoölogisch Museum toont prachtvoorwerpen uit de eigen collectie

Het Zoölogisch Museum in Amsterdam is verworden tot een sterfhuisconstructie. De tentoonstelling De Zee, De Zee stemt weemoedig en herinnert aan een rijk verleden.

ZO'N VIJFTIEN JAAR geleden nam ik als vogelwaarnemer deel aan de eerste van vier expedities op het Nederlandse oceanische onderzoeksvaartuig de Tydeman. De expeditie, georganiseerd door professor Sybrecht van der Spoel van het Zoölogisch Museum, had als doel oceanisch plankton te verzamelen, op verschillende diepten, vanaf het oppervlak tot nabij de bodem, zo'n vierduizend meter diep. De verspreiding van het plankton, dat bemonsterd zou worden in vier seizoenen, moest antwoord geven op de vraag hoe het kwam dat sommige soorten plankton alleen gevonden worden op bepaalde locaties in de oceaan en niet elders. Die plaatsgebondenheid is wonderlijk, want plankton, die verzameling zwevende plantjes en diertjes in de zee, kan zich actief niet sneller verplaatsen dan met enkele meters per uur, terwijl oceanische stromingen vaak een snelheid hebben van een of meer knopen, dat wil zeggen enkele kilometers per uur.

De Tydeman zou een route varen in het midden van de Atlantische Oceaan, van noord naar zuid, precies over de 30ste lengtegraad, te beginnen iets ten zuiden van IJsland en te eindigen ten westen van de Canarische eilanden. In de ogen van de buitenstaander was het ongetwijfeld een saaie expeditie. Volgens een strak rooster werd het planktonnet uitgezet en binnengehaald. Tijdens de trek kon het schip niet harder varen dan stapvoets om het fijne net niet te beschadigen. Wie niet beter wist zou zeggen dat het schip stillag.

Mijn taak als vogelwaarnemer was vanzelfsprekend het waarnemen van vogels. De verspreiding van zeevogels houdt verband met de aanwezigheid van plankton aan de oppervlakte. Ik diende niet alleen de soort, maar ook de aantallen nauwkeurig bij te houden. Weinig mensen weten dat zelfs midden op de oceaan altijd vogels voorkomen. De meeste zeevogels zijn wel aan de kust gebonden, maar dat is niet zozeer omdat ze het land nodig hebben, maar omdat de zee daar ondieper is en veel meer voedsel bevat. Echte pelagische vogels, zoals de verschillende soorten stormvogeltjes en pijlstormvogels, zijn gespecialiseerd in het overleven op de oceaan. Ze zoeken daarbij grote oppervlakken af zonder zich erg in te spannen. De stormvogeltjes fladderlopen licht als een vlinder over het water, de pijlstormvogels vliegen zonder hun vleugels te verroeren, kantelend over de golftoppen.

ALS VOGELWAARNEMER stond ik hoog op de brug of bij goed weer op de neus van het schip en keek. Ik keek met het blote oog, ik keek met een lichte verrekijker en soms, als ik een vogel beter wilde zien, keek ik met een zware 16x85 kijker - ik krijg weer pijn in mijn rug als ik daaraan terugdenk. Iedere waarneming werd genoteerd.

In de noordelijke wateren had ik handen tekort om alle vogels te noteren die ik zag. Drieteenmeeuwen, stormvogels, alken, zeekoeten - ik had ze maar aan te kruisen op mijn lijsten. Iets zuidelijker werd het minder druk. Op een dag lagen we vrijwel stil te midden van een school reuzenhaaien, vreedzame planktoneters met enorme bekken en kieuwen waar je dwars doorheen keek. Het schip voer er stapvoets langs, maar ze namen geen notie van ons. We kwamen een groep orca's tegen, de zwaardvinnen dreigend boven het water, die zonder acht op het schip te slaan in een rechte lijn van de ene horizon naar de andere zwommen.

Later, ten zuiden van de Azoren, werd het stil op de oceaan. Uitlopers van de Sargassozee voerden drijvend wier aan dat heldergeel afstak tegen een azuurblauwe achtergrond, de peilloze diepte van de oceaan. Het water werd zo voedselarm dat ik soms uren geen vogel zag. Eén dag zag ik helemaal niets.

Maar diep in de ingewanden van het schip hadden de andere leden van de expeditie het druk. Diep in de duisternis van de oceaan zeefde ons fijne planktonnet allerlei diertjes: kwalletjes, garnaaltjes, roeikopkreeftjes, diepzeevissen, vleugelslakken, pijlinktvissen en de larven van alle diersoorten die de oceaan bevolken. De dieren die niet geklapt waren door het drukverschil werden levend gefotografeerd. Vooral de vleugelslakjes, de ballerina's van de oceaan, waren adembenemend mooi. Diepzeevissen met enorme bekken en lichtgevend lokaas leken op ware duivels, niet opgevist uit de koude duisternis van de oceaan, maar uit de hel. Fluoriserende ribkwalletjes met ijle franje lagen weerloos op de sorteertafels. Er werden soorten gevonden die niet in onze handboeken voorkwamen en die mogelijk nieuw voor de wetenschap waren.

Alle vondsten werden snel op naam gesteld, geteld, geëtiketteerd en in speciale vloeistofmengsels bewaard. Sommige soorten moesten later weer in andere vloeistoffen overgebracht worden, wat een strak rooster vereiste. Vierentwintig uur per etmaal ging het vangen en determineren door. De geuren van formaline, alcohol en glycerol vermengden zich met vis en zeewier. Microplankton werd onder de binoculair bekeken. Op dagen dat het stormde was deze corvee geen pretje. Ik prees mij op die dagen gelukkig dat ik vogelwaarnemer was.

NU, VIJFTIEN JAAR later, is een deel van deze vondsten te zien op de tentoonstelling De Zee, De Zee van het Zoölogisch Museum van de Universiteit van Amsterdam. Het onderwerp de diepzee sluit goed aan bij het Artis-aquarium, dat mooier en groter aan het worden is dan ooit - al gaat deze renovatie wel ten koste van de tentoonstellingsruimte van het Zoölogisch Museum. Bezoekers van Artis lopen nu via de schemering van het aquarium de duisternis van de diepzee binnen.

Veel van het getoonde materiaal is verzameld door medewerkers van het Zoölogisch Museum zelf, vooral tijdens de beroemde Siboga-expeditie die rond de eeuwwisseling plaatsvond in navolging van de Britse Challenger-expeditie. In die dagen was de diepzee nog vrijwel onbekend. De helft van de soorten van de Siboga-expeditie moest nog beschreven worden. Enkele van mijn medestudenten bewerkten nog steeds het Siboga-materiaal en misschien worden er nog wel nog steeds Siboga-potten geopend die verrassingen bevatten.

De zee zelf, tweederde van het aardoppervlak bedekkend, bevat zeker nog vele verrassingen. Afgelopen jaren zijn in de diepzee de 'smokers' ontdekt, bronnen van vulkanische oorsprong die warm, zwavelhoudend water uitblazen dat als voedsel dient voor zwavelbacteriën. Deze bacteriën worden gegeten door wormen en andere hogere organismen. En zo vormen de 'smokers' warme oasen in de koude woestijn van de oceaanbodem.

Enkele jaren geleden ontdekten medewerkers van het Slater-instituut van de Universiteit van Amsterdam een nieuwe klasse van enzymen in antarctisch fytoplankton. De enzymen waren gebaseerd op vanadium, een metaal waarvan tot dusverre geen biochemische activiteit bekend was. De enzymen werden alleen gevonden in de zeeën rond antarctica, het fytoplankton op het Noordelijk Halfrond bevatte geen vanadium. In de Zwarte Zee zijn onlangs banken gevonden met uranium-afzettingen, de fossiele resten van bacteriën of algen die dit metaal geaccumuleerd hebben. Onbekend is of dergelijke bacteriën of algen nog bestaan - zoals zoveel algen nog niet beschreven zijn.

Maar ook de grote dieren van de zee zijn nog lang niet allemaal beschreven. Nog geen twintig jaar geleden werd op grote diepte een haai van meer dan vijf meter lengte gevangen, Megachasma pelagios, een vis met een bijzonder grote bek waarvan de binnenzijde is bekleed met een luminescerend slijm. Een nieuwe soort, die niet alleen een genus, maar zelfs een familie op zichzelf vormt.

Ook de zoogdieren der zee, ons toch zo nabij, zijn lang niet allemaal goed bekend. De spitssnuitdolfijnen zijn zo schuw dat ze nauwelijks worden waargenomen. Binnen het geslacht Mesoplodon, dolfijnen als everzwijnen met uitstekende hoektanden waarmee de mannetjes elkaar bevechten, worden tegenwoordig dertien soorten onderscheiden. Twee van die soorten zijn beschreven aan slechts één aangespoeld exemplaar. Anders dan de tuimelaars, bruinvissen en orca's die kleuters al in dolfinaria zien zwemmen, is zoiets elementairs als de kleur of de tekening van veel soorten spitssnuitdolfijnen, dieren met een lengte van een meter of vijf, anno 1996 nog nauwelijks bekend.

Wat dan te denken van de honderdduizenden lagere soorten dieren? De koralen en de sponzen, de kwallen en poliepen, de plat-, rond- en gelede wormen, de mollusken, de kreeftachtigen, zeesterren en de tientallen kleine, onbekende phyla en klassen die de zee bevolken. Zoveel van deze dieren zijn nog nooit bekeken, zoveel uit de diepzee is volledig onbekend.

ARTIS, WAARBINNEN de tentoonstellingsruimte van het Zoölogisch Museum is te vinden, verkeerde twintig jaar geleden in ernstige financiële problemen. De bezoekersaantallen liepen terug, terwijl de kosten almaar stegen. Er werd zelfs overwogen de Amsterdamse dierentuin te sluiten. Maar dat mocht niet gebeuren, vonden de Amsterdammers. De actie 'Artis moet blijven' hielp de dierentuin door het dal. En nu gaat het de Nederlandse dierentuinen weer voor de wind, meesurfend op de populariteit van de pretparken.

Hoe anders ging het met het Zoölogisch Museum. Indertijd een groot instituut, verdeeld over vele gebouwen, met zestien wetenschappelijke medewerkers en een legertje aan technische en administratieve assistenten - nu is het museum klein geworden. De opengevallen plaatsen worden al jaren niet meer vervangen. Er zijn nog maar vier wetenschappelijk medewerkers over en die zijn ook al niet meer zo jong.

Hoewel dit nooit openlijk is uitgesproken heeft het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur besloten dat het Zoölogisch Museum in Amsterdam moet verdwijnen. Terwijl diplomaten op milieuconferenties lippendienst bewijzen aan biodiversiteit, is het Zoölogisch Museum, waar deze kennis aan studenten onderwezen wordt, een sterfhuisconstructie. Na Utrecht kan, als er niets ten gunste verandert, binnenkort ook Amsterdam zijn taxonomisch instituut sluiten. Gelukkig is er Leiden nog, anders zou straks vergelijkende dierkunde niet meer in het Nederlands onderwezen worden.

Deze prachtige tentoonstelling over de zee vervult mij niet alleen met weemoed over de maand die ik doorbracht op de Tydeman. Zij brengt mij ook het instituut in herinnering waar ik als student aan platwormen werkte. Het museum met zijn planken met zeeslangen op alcohol, potten met gesteelde zeelelies, kasten met gedroogde krabben. De tentoonstelling vervult mij ook met gevoelens van bezorgdheid. Misschien is dit wel de laatste tentoonstelling van het Zoölogisch Museum, de laatste althans die werd samengesteld uit de eigen collecties.

Want zonder actief beheer kunnen zoölogische collecties niet bestaan. De vraag is dan wat er gaat gebeuren met de collecties, de nalatenschap van een eeuw wetenschappelijk werk, doorgegeven van generatie op generatie. Worden ze ook opgeslagen in de kelders van het Roeterstraatcomplex, net als de stenen, fossielen en mineralen van het Geologisch museum? Maar wat met stenen kan, kan niet met een zoölogische collectie. Na enkele jaren zijn de geraamtes beschimmeld, de potten uitgedroogd en de opgezette dieren door insecten aangevreten. Uniek materiaal, waarvoor geleerden naar Nederland komen om te vergelijken, is dan niet meer.

Kan de collectie dan niet naar Leiden? Daar in de nieuwbouw van het Nationaal Natuurhistorisch Museum moet toch plaats genoeg zijn. Helaas is deze zo klein uitgevallen, dat de eigen collectie er niet eens in kan, laat staan die van Amsterdam die bijna net zo groot is.

Maar het is nog te vroeg om te wanhopen. Het Zoölogisch Museum bestaat nog, al drijft het voor een deel op VUTters, vrijwilligers en gepensioneerden. Misschien komen er betere tijden. Ten slotte is ook Artis gebleven.