SCHELPKALK

De bijdrage van P. Fraanje in W&O van 5 oktober, 'Bouwen met basterd schelpkalk', behoeft enige correctie en aanvulling. Om te beginnen met de kop, 'basterd schelpkalk' bestaat niet, wel het begrip 'bastaard mortel'. Metsel- en pleistermortels, de substantie die bouwstenen verbindt of muren en plafonds bedekt, wordt samengesteld uit drie essentiële componenten: een drager (zand, gemalen steen), een bindmiddel (waarover verderop meer) en water.

Het water dient ten eerste om de menging, de cohesie en de verwerkbaarheid van de specie te verbeteren en ten tweede speelt het een essentiële rol bij de latere uitharding van de bindmiddelen. Al sinds mensenheugenis worden diverse bindmiddelen gebruikt in mortels, in primitieve culturen bijvoorbeeld klei of zelfs dierlijke uitwerpselen. Kalk werd al duizenden jaren geleden 'ontdekt' en voor dit doel gebruikt, evenals gips en 'tras', een vulkanisch materiaal. De Romeinse technoloog Vitruvius schreef in de eerste eeuw voor Christus al uitgebreid over deze zaken. Kalk verkrijgt men door het branden van calciumcarbonaat (CaCO3), dat op grote schaal in de natuur voorkomt als schelpbanken, koraalriffen, krijt, kalksteen en marmer. Krijt en kalksteen zijn niets anders dan door diagenese (druk, temperatuur, chemie) verdichte afzettingen van koraal, schelpen of andere harde delen van (meestal mariene) organismen. Marmer ontstaat op zijn beurt door nog verdergaande diagenese van kalksteen. Schelpen waren eeuwenlang in Nederland het meest geëigende uitgangsmateriaal om kalk van te branden en deze kalk vond voornamelijk toepassing in pleister- en metselmortels. Vanaf de Tweede Wereldoorlog is schelpkalk in Nederland snel en vrijwel geheel verdrongen door kalk, gebrand uit stenen (zoals bijna de gehele wereldproduktie van circa 150 miljoen ton per jaar 'steenkalk' is). Schelpkalk is dus niet zozeer door cement verdrongen in de jaren zestig, zoals de heer Fraanje in zijn artikel meent. De gedeeltelijke verdringing van schelpkalk (en ook andere kalksoorten) door cement had al in het begin van onze eeuw plaats. Cement, bereid door het branden van een mengsel van kalksteen en klei bij circa 1.400 graden Celsius, is een bindmiddel dat zich onderscheidt van kalk doordat het snel uithardt, in reactie met water. De populariteit van cement als bindmiddel in metsel- en pleistermortels heeft alles te maken met de versnelling van het bouwtempo in deze eeuw. Mortels met alléén kalk als bindmiddel harden te langzaam uit voor het tempo van metselen. Mortels met alléén cement als bindmiddel bleken echter ook geen haalbare kaart, ook niet in de laatste decennia, toen men met chemische additieven het verwerkbaarheidsprobleem hoopte op te lossen. De te sterke (te weinig vormbare) en/of door luchtbelvormers te poreuze mortels die hieruit ontstonden, gaven vooral duurzaamheidsproblemen, vaak al enkele jaren na de oplevering. En zo ontstond de 'bastaardmortel', een hybride mortel als het ware, met én cement én kalk als bindmiddel, waarin de functies en voordelen van beide min of meer worden vervuld. In het artikel wordt voorts gemeld dat de hardheid (druksterkte?) van cementmortels zou leiden tot meer breuk bij de sloop van metselwerk. Hoe het oude metselwerk breekt, heeft echter meer te maken met de hechtsterkte van een mortel aan de steen. In het algemeen hoort men van slopers dat juist ouder metselwerk, met alléén kalk of kalk-cement als bindmiddel, de grootste frustraties geeft. Als de stenen al ongebroken uitéénvallen, dan nog zijn de mortelrestanten veel moeilijker van de steen te verwijderen, als gevolg van de bekend hogere hechtsterkte die kalk bewerkstelligt. Nog andere in het artikel naar voren gebrachte onderwerpen, zoals energieverspilling en milieuvervuiling, met name door vliegas, geven een onjuiste voorstelling van zaken. Ook zou het begrip 'hydraulische kalk' nog aandacht verdienen, maar dat alles voert voor deze brief te ver.