Lammert Huitema

Koude tijden breken weer aan. Zwaaiend en zwierend, met de handen op de rug, zullen we ons schaatsend een weg banen over ijsvlakten. Echte schaatsers wachten niet op de kou. Die draaien al in de nazomer rondjes op kunstijs. Altijd maar draaien door de bochten, elke tweehonderd meter, altijd naar links, nooit naar rechts.

Het rechterbeen dat over het linker been stapt. Wat dat niet voor een kracht kost. Dat licht in het kniegewricht gebogen linkerbeen, dat in de bocht naar links het schaatserslichaam torst. Marathonschaatsers doen het een uur lang. Zelfs lange tochten op natuurijs gaan bij voorkeur linksom, tegen de wijzers van de klok in. Soms, heel even, wordt de rug gerecht. Soms worden even de benen gestrekt om verzuring van de beenspieren te voorkomen. De dijen tillen het zwaarst. Ze blazen op den duur op als ballonnen zo dik en dreigen uiteen te spatten. De linkerdij spant zich het meest in, elke marathon weer, door al die bochten naar links. Is het vreemd dat de omvang van die dij na verloop van tijd groter is dan die van de andere dij? Met het blote oog is bij menig schaatser een verschil van bijna anderhalve centimeter waarneembaar. Marathonschaatsers hebben twee verschillende dijen: de een is nog gespierder dan de ander.