Klinkende munt

ECHTE REVOLUTIES gaan langzaam, bijna ongemerkt. Ineens blijkt alles anders dan vroeger, en toch alweer heel gewoon. De grootste en ingrijpendste revolutie van na de Tweede Wereldoorlog, een die nog altijd voortduurt, is een hele stille: de miraculeuze verdwijning van het gerinkel van klinkende munt.

Niet van het betalen, want er hangen tegenwoordig meer prijskaartjes aan meer dingen dan ooit eerder in de geschiedenis, maar van geld als concreet, tastbaar materiaal. Nog maar dik dertig jaar geleden kwam je zonder contanten op zak niet ver. Echte rijkaards hadden wel eens een persoonlijk chequeboek, maar die ongegarandeerde cheques waren, extreem gesteld, meer een beter soort loterijbriefje. Ook een bankrekening was allerminst iets vanzelfsprekends. Gireren betékende nog iets in die tijd. Geld ging in het dagelijkse leven letterlijk van hand tot hand, hoogstens met tussenkomst van een loonzakje.

Eind jaren vijftig had de toenmalige Twentse Bank de primeur voor Nederland van een geheel nieuw verschijnsel: de salarisrekening. Aanvankelijk was het gevolg vooral dat horden employés op vrijdag spoorslags hun rekening kwamen leeghalen. Ze wilden gewoon hun geld zien en vasthouden. Maar uiteindelijk heeft de salarisrekening er toch voor gezorgd dat iedereen onzichtbaar geld is gaan vertrouwen, op die ene zonderling na, die nog altijd de halve salarisadministratie van de TU Eindhoven in gijzeling houdt door te staan op zijn recht om maandelijks in baar geld te worden uitbetaald.

De salarisrekening was echt revolutionair, omdat hij voorgoed onze visie op bezit en de overdracht daarvan veranderde: bezit en betaling werden vervangen door de enkele mededeling ervan, munten en biljetten door getallen op een rekeningoverzicht. Kortom, materie werd vervangen door informatie. 'The message became the medium', iets dat McLuhan over het hoofd zag. Zonder die essentiële stap waren alle latere ontwikkelingen onmogelijk geweest.

Maar de echte motor achter de revolutie was de opkomst van de computer. Het invoeren van de salarisrekening betekende niets meer of minder dan dat de banken zich het beheer van alle huishoudboekjes van het land op de hals haalden, een gargantuaanse taak die nog met geen miljoen nijvere klerken uitvoerbaar was. Maar wel met behulp van automatisering. En voor de inzet daarvan was het nodig dat geld losgeweekt werd van zijn stoffelijk omhulsel. Computers kunnen immers niets aanvangen met materie, hun kracht is beperkt tot de ijle wereld van informatie. Na de vervanging van de oude sok en het potje door het bankafschrift, was de portemonnee aan de beurt om van zijn gewichtige inhoud ontdaan te worden. Geautomatiseerd giraal verkeer middels betalingsopdrachten leent zich immers wel voor grotere en periodieke betalingen aan instanties, maar nauwelijks voor de aanschaf van een rolletje drop en een pak koffie. Dat karwei was een stuk lastiger, en is nog lang niet afgerond.

Het begon met de betaalcheque en de Eurocheque. Primitieve pogingen, met ouderwetse, papieren middelen. Het waren bankbiljetten met een flexibele waarde, waarbij de Eurocheque ook nog in verschillende muntsoorten kon worden gewaardeerd. Een stuk verder ging de flappentap. Die maakt sinds een paar jaar echt gebruik van het grenzeloze karakter van informatiegeld: voor het eerst in de geschiedenis kon je op elke plaats in Europa je eigen bankrekening rechtstreeks aanspreken. Kunstgrepen als cheques of credit-cards, die allemaal neerkomen op het verlenen van tijdelijk krediet totdat de transactie op de ouderwetse manier kan worden afgehandeld, zijn met het gekoppelde net van geldautomaten niet meer nodig. Maar de grootste stap voorwaarts was, drie decennia na de salarisrekening, de PIN-pas, die het banksaldo tot op de toonbank van de winkel bracht. De chipknip is ten opzichte van het PINnen in wezen een stapje terug, doordat je eerst je bankrekening moet aanspreken, en pas daarna een betaling kunt doen.

Na de instellingen en de toonbank rest nu nog de huiskamer. Ook daar worden via de televisie en de PC diensten verricht die betaald moeten worden, en zelfs steeds meer. Banken, kabelexploitanten en aanbieders van diensten zijn dan ook druk in de weer om een bruikbare vorm van thuisbetalen te ontwikkelen. Gek genoeg blijken ze vooral veel te zien in een ingewikkeld, kwetsbaar en voor de consument hoogst ongelukkige middel: de decoder of set-top box. Het komt erop neer dat men bij iedereen thuis op zijn kosten een slot op (vooralsnog) de tv komt zetten, dat pas een tijdje opengaat als er betaald wordt, bijvoorbeeld door een chipknip in het apparaat te steken. U boet dus aan vrijheid in, u wordt op kosten gejaagd voor een lelijk kastje, u moet dat ongetwijfeld lelijke kastje ergens kwijt (maar wel zo dat u erbij kunt), en daar krijgt u niets voor terug. Zo'n kastje wilt u helemaal niet! Het is bovendien een ouderwets, sterk op materie leunend idee: al die kastjes kunnen kapot, en gáán kapot. Dat betekent reparatieafspraken, wachttijden, veel heen en weer gesjouw, kortom: een hoop kosten en ergernis.

En dat terwijl al die ellende nergens voor nodig is. Het juiste basismodel is dat van de goede oude PTT: telefoneer wanneer u wilt en hoeveel u wilt, tante Telecom houdt centraal en elektronisch de stand bij. Simpel, nauwelijks foutgevoelig en goedkoop.

Uiteraard is wat de PTT doet te primitief en te beperkt om als algemeen betalingssysteem te dienen. Daarvoor heb je een echte elektronische bank nodig, met een systeem om vanuit de huiskamer opdracht tot of toestemming voor betaling te geven. En zo'n systeem is ook al op het Internet. Althans, in een experimentele fase. Het heet Digicash, het is even anoniem als uw portemonnee, en het is geschikt voor grote en kleine betalingen aan iedere andere rekeninghouder. Digicash is geen bank, maar een systeem voor betalingsverkeer, dat elke bank in licentie kan nemen, zodat we met wat kleine aanpassingen voor de tv, nooit aan zo'n eng kastje hoeven. Je vraagt je af waarom ze dat nog steeds niet doen.