Kinderen zijn in Italië bedreigde soort

ROME, 26 OKT. Federico is acht jaar en zoals zoveel Italiaanse kinderen hoeft hij 's middags niet naar school. Het officiële lesprogramma houdt om één uur op. Veel van zijn klasgenootjes komen huppelend naar buiten, maar Federico stapt meestal wat bedrukt in de auto.

Voor hem betekent de middag vaak lange saaie uren in een wachtkamer, alleen op een stoel, terwijl zijn moeder achter de gesloten deur het psychische leed van haar patiënten aanhoort en zijn vader ergens hoog in de lucht mensen voorziet van hun natje en hun droogje.

Als hij met zijn vriendjes speelt, is Federico lange tijd het keurigste jongetje. Zo hebben zijn vader en zijn moeder hem dat geleerd. Maar soms, zo maar, wordt hij vreselijk wild en agressief. Het hoort bij de leeftijd, zegt zijn moeder, en die heeft ervoor geleerd. Maar psychologen van de koude grond denken dat Federico het misschien niet zo leuk vindt om zo lang stil te zitten op een stoel.

Federico past precies in de statistieken die illustreren dat het gemiddelde Italiaanse gezin één kind heeft. Voor de cijferaars: 1,19 kind per gezin. Vaak is de reden economisch: een tweede kind is te duur. Zijn ouders moeten er niet aan denken nog eens zeker vijfhonderd gulden per maand te moeten betalen voor de school, nog eens gemiddeld honderd gulden voor sport- en andere clubs.

Elementaire voorzieningen ontbreken. Italië is zo snel rijk geworden dat het nauwelijks tijd heeft gehad om met het geld voor zijn toekomst te plannen. Geld voor kinderopvang 's middags is er niet en de particuliere school laat je ook bijbetalen. Een vriendin van Federico's moeder: één kind is genoeg, anders gaan haar borsten er teveel onder lijden. Getrouwde Italiaanse vrouwen willen er niet getrouwd uitzien.

Volgens een recent rapport van het fraai benoemde 'Ministerie van Familie en Sociale Solidariteit' wordt meer dan een kwart van de kinderen opgevoed door de grootouders. In het geval van Federico wonen ze te ver weg. In sommige andere gevallen betekent dit, ondanks de liefde die ze van grootouders krijgen, dat kinderen nauwelijks of niet buitenspelen. Het rapport constateerde dat meer dan de helft van de kinderen onder de zes jaar niet buiten speelt, ondanks het goede weer. Er is nauwelijks gelegenheid: weinig parken, geen brede stoepen, maar een paar veilige pleinen. Bovendien is de straat gevaarlijk, met auto's en enge mannen - ontvoeringen en misbruik van kinderen komen hier regelmatig terug in het nieuws.

Tachtig procent van de kinderen onder de zes jaar heeft nauwelijks contact met leeftijdgenootjes. Kinderen spelen hier niet met elkaar, ze zijn alleen of in het gezelschap van volwassenen. De Nederlandse gewoonte om vriendjes thuis uit te nodigen om te komen spelen, wordt hier wat argwanend bekeken, zeker in het begin. In de taal van het ministeriële rapport: kinderen leven hier “in een diepgaand isolement”.

Economen van de universiteit van Bologna hebben becijferd wat een kind kost in Italië. Een kind onder de zes jaar kost in het noorden ruim een miljoen lire per maand, ruim 1100 gulden. Tussen de zes en veertien jaar kost een kind ongeveer 1600 gulden per maand. In het zuiden, waar het leven aanzienlijk goedkoper is, liggen deze bedragen ongeveer vierhonderd gulden lager.

Door de combinatie van hoge kosten en slechte voorzieningen neemt het kindertal snel af. In 1981 waren er nog 12 miljoen kinderen onder de veertien jaar, tien jaar later negen miljoen en twee jaar geleden 8,5 miljoen. Italië zit qua kindertal meer dan twee procent onder het Europese gemiddelde.

Vergeleken met sommige leeftijdsgenootjes heeft Federico het nog bijzonder goed, materieel gezien. Het ministerie heeft uitgerekend dat een miljoen kinderen in armoede opgroeien. De overgrote meerderheid van hen woont in het zuiden. Een op de vijf kinderen leeft daar in armoede, gedefinieerd als een gezinsinkomen dat de helft of minder is van het gemiddelde gezinsinkomen. In het noorden en midden van het land is dat een op de vijftien.

Bovendien is in het zuiden het gebrek aan voorzieningen nog veel schrijnender. Met name in de kleinere Noorditaliaanse steden kan je nog wel eens een bibliotheek vinden, een speeltuin, een goede kleuterschool of een park. In het zuiden moet de jeugd het met de zon doen. En zo worden steden als Napels, Palermo, Bari en Reggio Calabria een onuitputtelijke bron van treurige en afschuwwekkende verhalen.

Leeftijdgenootjes van Federico, jongetjes van acht jaar, werken daar als drugskoerier, als tasjesdief en bedelaar, als uitkijkpost en inbreker. Zij en hun bazen weten goed dat, als ze worden aangehouden met hun pakjes cocaïne of met hun buit, de politie machteloos staat. Wie onder de veertien is, is niet strafbaar. In 1994 ontsprongen bijna tienduizend criminelen in de dop op deze manier de dans. In de gedachte van de wetgever moeten ze thuis op hun donder krijgen of in een opvangcentrum opnieuw het zevende gebod leren, maar in de praktijk komt daar niets van. Ten einde raad heeft de Napolitaanse officier van justitie Stefano Trapani, die zich voornamelijk met kindermisdaad bezighoudt, voorgesteld om de leeftijdsgrens te verlagen.

Volgens sommige becijferingen gaat dertig procent van de Napolitaanse kinderen niet naar school. En dat terwijl de leerplicht beperkt is: van zes tot veertien jaar. Vorig jaar organiseerde de gemeente met geld uit Brussel zonder veel resultaat een spijbelcursus voor ouders. Doel was de ouders ervan te doordringen dat hun kinderen hun toekomst vergooien door weg te blijven. Omdat er weinig werk is, komen veel kinderen vroeger of later terecht in de misdaad. En als daar je toekomst ligt, is de beste school op straat.

Ook kinderprostitutie is een schrijnend probleem, vooral in het zuiden. Afgelopen zomer heeft de politie in Palermo een vijftal mensen aangehouden die een groep van ongeveer vijftig jongens en meisjes tussen de zes en vijftien jaar exploiteerde. Ze werden gefilmd, gedwongen onderling allerlei dingen te doen en door volwassenen misbruikt. Het onderzoek verloopt buitengewoon moeizaam. Veel van de kinderen vertrouwen de politie niet, want dat is de cultuur die ze van huis hebben meegekregen. De parochiepriester die heeft meegewerkt aan het onderzoek, wordt door veel wijkbewoners met de nek aangekeken. Zelfs bij dergelijk gedrag dreigt de mafiose onderlinge solidariteit het speurwerk van de politie te doen vastlopen. Het enige wat de politie kan doen is ervoor zorgen dat in de ergste gevallen de kinderen niet meer naar huis terug gaan, om te voorkomen dat hun vader of moeder hen weer verhuurt.

Minister Livia Turco, van het ministerie voor Familie en Sociale Solidariteit, was met opzet naar een van de armste wijken van Palermo gekomen om haar rapport over kinderen in Italië te presenteren. Zij wil extra fondsen voor kinderen. Nu kunnen Italianen acht promille van hun inkomstenbelasting bestemmen voor een kerkgenootschap of voor sociaal werk. Minister Turco wil dat de belastingbetalers ook de mogelijkheid krijgen een kruisje voor een vakje 'kinderen' te zetten. Want kinderen, zo waarschuwt zij, zijn in Italië een bedreigde soort aan het worden.