Geven en nemen

Op een mooie zomermiddag in New York zat ik op het bordes van de homokerk aan de Zevende Avenue bij de Elfde Straat te praten met Deborah, die daar overdag op de stoep kantoor hield achter haar klaptafeltje. Als het haar goed ging had ze tweedehands boeken en gedragen kleren te koop, want het oogt toch aardiger als je de mensen iets te bieden hebt.

In slechte tijden zat ze op de stenen trede met een deken om zich heen en stond haar bedelnap, een koffiebekertje, tussen haar voeten op de stoep. Omdat ik indertijd om de hoek woonde en niet veel aanspraak had ging ik af en toe eens bij haar langs.

Deborah was goed gezelschap, altijd opgeruimd van zin en met een in scepsis en ironie gegroeid gezicht: krullende lippen, een lange, wat gebogen neus en zware oogleden die ze met honend ongeloof kon luiken. Ze was altijd aan het hopen op een huis, of toch nog op een baan en dat liep altijd weer mis. Maar dat heb ik jaren geleden al eens verteld.

Op den duur ging ook ik begrijpen dat er toch meer met haar aan de hand was dan alleen aan pech te wijten kon zijn of aan de ongenaakbaarheid van de Amerikaanse samenleving. Ze stak goed in de kleren en was net gekamd, maar ze verwaarloosde haar gebit op een aangrijpende manier. Op haar kin misstond een plukje haar. Ik schreef dat toe aan de nawerking van de pillen tegen angst en razernij.

Haar pogingen tot zelfredzaamheid hadden telkens een verraderlijke afloop. In haar flat werd al ingebroken nog voor ze erin getrokken was. Ze werd als verkoopster in de museumwinkel, of als laborante in het ziekenhuis ontslagen voordat ze haar loon kon beuren. Bij zoveel tegenslag resteerde op den duur nog maar een verdachte: dat was zij zelf.

Ze had twee kinderen, in tehuizen bij de broeders, en toen ik haar voor het laatst zag was ze zwanger van een man die alweer een andere slaapplaats had gezocht. Toen wist ik het ook niet meer en eigenlijk keurde ik haar gedrag af. Men eigent zich tegenover de armen al gauw morele rechten toe.

Maar op die mooie zaterdag waren we beiden nog zonnig gestemd. Het was de dag van de grote homo-parade die elk jaar over de Vijfde Avenue trekt. De homoseksuelen in Amerika zijn zich steeds meer gaan gedragen als een etnische groep, net als de Ieren, de Grieken of de Koreanen, allemaal met een eigen geaardheid waar ze aan hechten en die ze op de afgesproken feestdag openlijk willen uitdragen met vlagvertoon en dansjes. Zo'n volksgroep toont zich dan op zijn mallotigst maar gaat daar voor één dag juist prat op. Op de praalwagens dragen de Griekse en de Schotse mannen graag rokjes, de homo's liever lange jurken. De voorkeur voor leer en uitzinnige uniformen is op die toogdagen bij Amerikaanse minderheden algemeen en de agenten die voor het escorte zorgen zijn er ook gek mee. De Ieren zijn in hun optocht het dronkenst, de homo's het blootst. De homo's zijn ook niet de enigen die gehaat en geminacht worden door de andere minderheden, die met elkaar altijd weer de meerderheid vormen. Maar ze wekken van allemaal toch de meeste weerstand.

Er is nog steeds durf voor nodig om in zo'n optocht mee te lopen, maar de meeste moed hebben de gewoonste mensen nodig die de volgende dag weer terug moeten naar hun kantoor, werkplaats of winkel en die zich niet kunnen verschansen in het onderons van de homo-scene.

Als volksgroep zijn de homo's maar in één opzicht echt uniek: ze zijn telkens weer de eerste generatie.

De stoet was al ontbonden en er kwamen heel wat meelopers op weg naar de Village, de homowijk van Manhattan, langs het tafeltje van Deborah, opgewonden van hun betoonde moed en vol hoon over de ergernis en schaamte die ze bij de ommestanders hadden gewekt.

Een jonge homo, rank en licht van tred, licht gekleurd als een koningskind van overzee, bleef staan. “Dag zuster, hoe gaat het met je?” zei hij tegen Deborah, ook donker, net als vier miljard van hun medemensen. Het was een dag waarop hij de verwantschap in het groot wilde beleven. “Voor mij ben jij een zielszuster. En ik voel mij helemaal niets beter dan jij, weet je dat wel?” Hij stopte niet een maar twee quarters in Deborahs piepschuimen bekertje. “Dank je en wees gezegend”, zei Deborah, beroepshalve.

“Wil je roken?” Hij bood haar twee filtersigaretten aan.

“Onthoud goed wie ik ben. Ik heb je wel vaker iets gegeven. Weet je dat niet meer? Nee? Nou, ik verander mijn kapsel nogal eens, dat zal het zijn. Maar jij moet wel onthouden wie je goed doet. Je mag de hand niet bijten die je voedt.”

Opzij van het tafeltje stond een mevrouw uit de buurt al een tijdje te wachten met een grote, kartonnen doos vol kleren. “Heb je daar iets aan?” Deborah keurde het aanbod. “Ja, die kan ik goed gebruiken.” Het was een heel sympathieke dame en dat vond ze zelf ook: “Allemaal pas gewassen en gestreken.” Deborah liet haar oogleden erkentelijk zakken en tuitte haar brede mond in dankbaarheid.

Op dat moment greep haar nieuwe zielsbroeder in. “Sta ik met je te praten, laat je me vallen en begin je een gesprek met iemand anders.” Opeens vervuld van kippendrift greep hij met zijn smalle hand in het koffiebekertje om zijn geld terug te pakken. Hij moest even wringen en graaien, maar toen had hij de munten tussen zijn vingertoppen, stak ze met een pianistiek gebaar terug in zijn zak en beende op hoge poten nijdig weg.

Eens gegeven blijft gegeven. Deborah kwam niet meer bij van het lachen. Beroofd was ze, haar beker weggegrist door zuiplappen, haar spullen afgepakt door zwervers, zijzelf aangerand door nachtelijke passanten, maar nooit eerder was een gift haar weer afgenomen wegens gebrek aan betoonde aandacht. Had ik maar een foto van hem kunnen nemen met zijn vingers in die beker en met zijn beeldschone gezicht scheef van kwaadheid.