Gekke suikerstaarten; NIEUW BEWIJS OVERGANG BSE VAN KOE OP MENS

Veroorzaakt de epidemie van gekke-koeienziekte in Groot-Brittannië nu wel of niet een nieuwe vorm van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob bij jonge mensen?

Tot eergisteren konden alleen epidemiologen en pathologen, voorzichtig gesteund door neurologen, die vraag met 'ja' beantwoorden, maar op grond van indirect bewijs. De epidemiologen wezen er op dat gekke koeien bijna uitsluitend in Groot-Brittannië leven, evenals de jonge mensen met Creutzfeldt-Jakob. De pathologen zagen bij autopsie sponsachtige veranderingen in de hersenen van de jonge slachtoffers, met een structuur die ze bij oudere patiënten niet eerder zo hadden gezien. De neurologen hadden - hoewel het in Groot-Brittannië maar om twaalf patiënten gaat - nooit eerder zoveel jonge mensen met Creutzfeldt-Jakob gezien. Creutzfeldt-Jakob en de gekke-koeienziekte horen samen met de schapenziekte scrapie tot de spongieuze encefalopathieën, degeneratieve hersenziekten die bewegingsstoornissen en dementie veroorzaken.

Direct bewijs moet echter nog worden geleverd. Daarvoor kijkt iedereen reikhalzend uit naar de uitslag van proeven met muizen die in hun hersenen een hersenpreparaat van overleden patiënten kregen ingespoten. Daarbij worden muizen gebruikt die door genetische manipulatie geen muizenprionen maar menselijke prionen in hersenen maken. Als die muizen dezelfde hersenziekte krijgen als hun soortgenoten die met hersenweefsel van BSE-koeien zijn besmet, zal iedereen dat als het beste bewijs voor de koe-naar-mens overgang van BSE aanvaarden. Wellicht volgt de uitslag van dat experiment dit jaar nog. Het ultieme experiment (mensen opzettelijk met hersenweefsel van BSE-koeien besmetten) is op ethische gronden natuurlijk onuitvoerbaar.

In afwachting van de uitslag van die experimenten leverde prof.dr. John Collinge en zijn Prion Disease Group aan de Imperial College School of Medicine in Londen een eerste moleculair bewijs voor het verband tussen BSE en de nieuwe CJ-ziekte (Nature, 24 okt). De onderzoekers extraheerden prionen uit hersenmateriaal, onderwierpen die aan een enzymatische splitsing en scheidden de brokstukken met gelelektroferese, een techniek waarbij moleculen onder invloed van elektrische stroom op grootte en vorm worden gescheiden. Op de gels zien ze een vlekkenpatroon veroorzaakt door de ziekmakende prionen. Ze analyseerden prionen uit hersenen van BSE-koeien, van 26 jonge en oude aan CJ gestorven patiënten (waaronder 10 jonge patiënten met de nieuwe CJ-variant) en van dieren met BSE.

Maatschappelijk en politiek gezien is de belangrijkste conclusie van de groep van Collinge dat met hun techniek de prionen uit de hersenen van BSE-koeien, uit hersenen van andere dieren die met BSE besmet zijn en uit de hersenen van de jong aan CJ overleden Britten dezelfde eigenschappen hebben. De BSE-prionen verschillen van de prionen gevonden in hersenen van mensen die door medische handelingen (groeihormoon of geslachtshormoon uit hersenen van overledenen gewonnen, gebruik van hersenvlies (dura mater) voor wondgenezing) CJ kregen en van mensen die op hoge leeftijd door onbekende oorzaak CJ kregen. Het resultaat ondersteunt daarmee sterk de hypothese dat de gekke-koeienziekte de oorzaak is van de nieuwe vorm van Creutzfeldt-Jakob-ziekte bij jonge Britten.

Met hun techniek kan nu worden onderzocht of ook overleden oudere CJ-patiënten misschien door BSE-besmetting de ziekte hebben opgelopen. Wetenschappelijk gezien is het verder de vraag wat precies de verschillende elektroforesepatronen veroorzaakt. Het verschil ontstaat waarschijnlijk niet door de al bekende erfelijke variatie in het menselijk prioneiwit die de gevoeligheid voor CJ-ziekte beïnvloedt. Op positie 129 in de aminozuurketen kan zowel methionine als valine voorkomen. Ieder mens bezit twee genen voor het prioneiwit. Daarmee zijn drie combinaties mogelijk: beide genen coderen voor valine op positie 129 (valine-homozygoot), of er is methionine-homozygotie, of iemand heeft ongeveer evenveel prioneiwit met valine en methionine (heterozygoot). Geen van die mutaties is overheersend, maar de tien slachtoffers in Groot-Brittannië waren allemaal methionine-homozygoot, net zoals de meeste mensen die op hoge leeftijd CJ krijgen. Valine op positie 129 van het prion lijkt dus enige bescherming te bieden tegen de ziekte van Creutzfeldt-Jakob.

Een duidelijke invloed op de elektroforesepatronen heeft de prionvorm, maar wetenschappelijk interessanter is de invloed van de hoeveelheid suikergroepen die aan de prionen zijn gebonden. Aan vele biologisch actieve eiwitten zijn staarten van gekoppelde suikermoleculen gebonden. De drie bandjes die steeds op de priongels te zien zijn corresponderen met prionen waar geen, één of twee suikerstaarten aan zijn gebonden. Mensen en dieren met de BSE-prionziekten hebben vooral ziekmakende prionen met twee suikerstaarten. De hypothese is dat deze di-geglycosyleerde prionen gevoeliger zijn voor de vormverandering na een infectie met BSE-prionen. Maar of dat echt zo is, en welke variatie voor BSE belangrijk is, dat moet nog onderzocht.