EXOTISCHE MEDEVOGELS RAKEN IN NEDERLAND STEVIG VERANKERD

Bij Nieuwe Natuur horen nieuwe soorten, schijnen de dieren soms zelf te denken. In vers gecreëerd Nederlands moerasgebied stappen Afrikaanse nijlganzen rond, of Zuidamerikaanse magelhaenganzen. Ook op cultuurgrond drukken zij tegenwoordig hun stempel: exoten. Vogelsoorten die niet tot de oorspronkelijke, van nature aanwezige broedvogels van Nederland behoren, maar door tussenkomst en hulp van de mens hier een plek vonden. Bijvoorbeeld door introducties, ontsnappingen en veranderingen in het landschap.

In samenwerking met een flink aantal organisaties heeft ornitholoog Rob Lensink hun vestigingsgeschiedenis en aantalsontwikkeling in kaart gebracht (Limosa 69 3, 103-128). In totaal hebben 28 exotische vogelsoorten zich in de afgelopen 25 jaar aan broedpogingen in het wild gewaagd. Voor negen soorten geldt dat ze inmiddels een stevige, zelfstandige broedpopulatie hebben opgebouwd. Het meest succesvol is de nijlgans (Alopochen aegyptiacus), die in 1967 met zes ontsnapte dieren uit Den Haag aan de kolonisatie van Nederland begon. Met tussentijdse injecties uit gevangenschap is nu een aantal van ongeveer 1400 broedparen bereikt.

De fazant (Phasianus colchicus) heeft de langste broedhistorie. Deze soort gaat achteruit sinds aan het massaal uitzetten door jagers een einde is gekomen. Voedselarme gebieden, zoals de Veluwe, heeft hij inmiddels ontruimd, maar elders is hij gebleven. Andere succesvolle pioniers op nieuw land zijn: de oorspronkelijk Australische zwarte zwaan (Cygnus atratus) Canadese gans (Branta canadensis), Casarca (Tadorna ferruginae), mandarijneend (Aix galericulata) en halsbandparkiet (Psittacula krameri). De Chileense flamingo (Phoenicopterus ruber), die vaak in ons land op bezoek maar vooral net over de Duitse grens broedt, staat hier vermoedelijk nog een mooie toekomst te wachten.

Na hun komst vertonen de meest succesvolle soorten een exponentiële toename, zoals gebruikelijk voor planten en dieren die onbezet gebied koloniseren. Landelijk gezien is het einde nog lang niet in zicht. Plaatselijk is er soms al stabilisatie van het aantal. Nijlganzen hebben, naar hun eigen territoriumnormen, de duinen tussen Den Haag en Leiden en de Ooypolder volledig bezet. De groei wordt af en toe doorkruist door een strenge winter; die heeft ook op soorten als de halsbandparkiet, mandarijneend en zwarte zwaan merkbaar, maar tijdelijk effect.

Planteneters zijn onder de nieuwkomers sterk vertegenwoordigd, gevolgd door zaadeters; exotische insecteneters hebben absoluut geen succes. De succesvolste soorten worden aangetroffen in ecosystemen die door de mens zijn verstoord of gecreëerd, zoals het agrarisch landschap of parken in stedelijk gebied. Waterpartijen als zandzuigplassen met omringende ruigtevegetaties vormen voor de verschillende zwanen, ganzen en eenden een veilige broedplaats, terwijl aangrenzend grasland voedsel biedt.

Voorzover er al schade aan de autochtone soort is, is die beperkt. Over de doortastende nijlgans is al heel wat afgeschreven. Broedende paartjes drukken plaatselijk sterk hun stempel door medevogels van andere soorten agressief te bejegenen. En inderdaad: bosuilen, buizerds of zelfs ooievaars voelen zich nogal eens geroepen hun nest af te staan. Toch is geen enkele soort er op achteruit gegaan.

Een potentieel gevaar is bastaardisering. De nijlgans houdt het bij een andere exoot: de casarca. Maar de Canadese gans kruist hier met allerlei andere ganzen, met veelvormig resultaat. De ervaring in het buitenland leert dat een oorspronkelijke vogelsoort door hybridisering met nieuwkomers sterk bedreigd kan raken.