Elk jaar weer wat anders

De Wet op de studiefinanciering werd van kracht op 1 oktober 1986. Alle studenten en scholieren van achttien jaar en ouder kregen een basisbeurs met eventueel een aanvullende beurs en studieleningen als hun ouders te weinig verdienden.

De wet beoogde studenten meer zelfstandigheid te geven, hen onafhankelijker te maken van hun ouders en de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te waarborgen. Het stelsel verving een ingewikkeld systeem van rijksstudietoelagen, kinderbijslag en belastingaftrek.

Tien jaar na invoering is van het stelsel nog weinig over. Maar liefst vijfenvijftig wetswijzigingen zijn het Staatsblad gepasseerd.

Een chronologisch overzicht.

- september 1988: CDA-minister Deetman legt het 'stapelen' van de studies aan banden (de Harmonisatiewet). Het recht op studiefinanciering wordt beperkt tot zes jaar hoger onderwijs. De rechter verbiedt de wet met terugwerkende kracht toe te passen.

- januari 1991: PvdA-minister Ritzen keert de basisbeurs voor een deel in natura uit met de invoering van de OV-jaarkaart voor studenten. Besparing: 25 miljoen gulden.

- januari 1991: Ritzen begint met de 'heroriëntering' van de wet. De maximale leeftijd gaat omlaag van 30 naar 27 jaar; de hoogte wordt bevroren; de duur wordt bekort, van zes naar vijf jaar; daarna kan iedereen een jaar het beursbedrag lenen, stapelaars een jaar extra.

- januari 1992: minister Ritzen maakt de rente op leningen kostendekkend. De rente gaat meteen lopen, en niet pas na de studie.

- september 1993: minister Ritzen voert de tempobeurs in: Wie in een jaar minder dan een kwart van zijn studiepunten haalt, moet zijn beurs terugbetalen. Opbrengst jaarlijks 205 miljoen vanaf 1998.

- november 1994: De OV-jaarkaart wordt vervangen door een week- of weekendkaart.

- januari 1995: Minister Ritzen voert de wetswijzing 'student op eigen benen' door. Meest opvallend zijn de stapsgewijze verlaging van de basisbeurs, de verhoging van de aanvullende beurs, aanscherping van de temponorm en een leenmogelijkheid voor alle studenten, ongeacht het inkomen van de ouders. Opbrengst: een jaarlijkse bezuiniging van 600 miljoen vanaf 1998.

- september 1996: Minister Ritzen voert de prestatielening in, beter bekend onder de naam prestatiebeurs. Behalve voor een paar studies, wordt de beursperiode bekort tot vier. De basisbeurs wordt omgezet in een basislening, die kwijtgescholden wordt als de student binnen zes jaar na aanvang van zijn studie het diploma behaalt. De maatregel moet een jaarlijkse bezuiniging opleveren van bijna 1 miljard gulden vanaf 1999.