Eerste van serie tentoonstellingen over Europese dialoog in het Nederlands Architectuurinstituut; Ongearticuleerd gemurmel van vier architecten uit Frankrijk

Tentoonstelling: European Dialogue: France. 3 scales - 4 architects. T/m 24 november in het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, Rotterdam. Openingstijden: di-za 10-17u, zo 11-17 u. Maandag gesloten. Prijs catalogus ƒ 39,50. De tentoonstelling zal van 5 tot 16 mei 1997 ook zijn te zien in de Urban Council in Hong Kong.

Kristin Feireiss, de nieuwe directeur van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, is ambitieus. Niet 60.000 bezoekers, zoals in 1995, maar 100.000 bezoekers wil de 53-jarige Duitse naar het instituut halen. En ze wil dit grootste architectuurinstituut in Europa ook waarlijk Europese allure geven. “Het instituut heeft de afgelopen twee jaar laten zien wat het fantastische archief bevat”, zei ze kort na haar aantreden als directeur in april van dit jaar. “Nu is het belangrijk dat er een discussie ontstaat, maar dat moet er dan wel een op Europees niveau worden. De vragen die zich nu voordoen in de architectuur - stedebouw, ecologie - overstijgen het nationale niveau. Dat zijn Europese kwesties. Het NAi is een uniek instituut, nergens heb je zoiets op de wereld en het is daarom aan zijn stand verplicht internationaal te zijn. Daarom wil ik een serie tentoonstellingen maken met als titel 'Europa in dialoog'.”

Feireiss dreigt in haar Europese ambities te worden gehinderd door het ministerie van OC & W, dat het instituut slechts een subsidieverhoging van 5,9 naar 6,2 miljoen per jaar wil geven voor de komende vier jaar en niet de gevraagde 8,5 miljoen. Met deze verhoging kan het Architectuurinstituut niet uit de voeten, zo rekende Feireiss twee weken geleden voor. Er is voor 1997 slechts 280.000 gulden beschikbaar voor tentoonstellingen en dit betekent dat het expositiegedeelte van het Nederlands Architectuurinstituut halverwege het volgend jaar zal sluiten.

Maar de komende maanden kan het Architectuurinstituut nog wel vooruit. De vorige week geopende tentoonstelling 3 scales - 4 architects is de eerste van de 'Europese dialogen', een serie grote exposities die elk de architectuur van een Europees land belichten. Telkens wordt aan vier architecten uit een belangrijk buitenland gevraagd een presentatie van hun werk te maken in de grote zaal van het instituut. De eersten zijn de Franse architecten Dominique Perrault, Odile Decq &i Benot Cornette, Françoise-Hélène Jourda & Gilles Perraud en Francis Soler. Zij moeten de vraag beantwoorden of in een mondialiserende wereld de eigen architectuurtraditie nog herkenbaar is of dat er steeds meer sprake is van een internationale architectuur.

Wie de grote zaal binnengaat, moet vaststellen dat er veel is te zien. In het midden staan op een iets verhoogd zwart plateau ouderwetse strandstoelen van waaruit men kan kijken naar honderden op het plafond geprojecteerde dia's van gebouwen en ontwerpen. Om het plateau heen zijn de presentaties of 'installaties' van de vier architecten geplaatst en een reusachtig lange uitstalkast-annex-tafel waarin tekeningen, materialen en maquettes worden getoond en waarop ook nog wat boeken over de vertegenwoordigde architecten liggen.

De vier presentaties variëren van ondoorgrondelijk tot voor de hand liggend. Dominique Perrault, de architect van de nieuwe Bibliothèque Nationale in Parijs, dacht waarschijnlijk dat hij door dit laatste grand projet van François Mitterrand zó beroemd is dat zijn maquettes geen toelichting behoeven. Mooi zijn ze wel, de simpele verbeeldingen van zijn stedebouwkunige plannen die zijn te zien achter een serie met spiegels beklede deuren op een kier. Ook Odile Decq &i Benot Cornette achtten commentaar overbodig op hun werk dat bestaat uit computeranimaties, tekeningen en van achteren aangelichte dia's op zwarte wanden. De bezoeker moet maar raden waarvoor de gematigd deconstructivistische en gewelfde vormen zijn bedoeld.

Duidelijker is de presentatie van Francis Soler, die grote opengeklapte houten kisten heeft neergezet met foto's, maquettes en tekeningen van zijn ontwerpen: hij heeft in ieder geval voor toelichtingen gezorgd. Het allerduidelijkst, maar ook het allersaaist is het paviljoentje van Jourdan & Perraudin, waarin de bezoeker in bakken zoals affiche- en grafiekwinkels die wel gebruiken, grote tekeningen en ontwerptoelichtingen kan zien.

De vier architecten, allemaal veertigers, leiden volgens Feireiss het architectuurdebat in Frankrijk. Maar door de hermetische opzet van de expositie blijft obscuur waar dit debat nu over gaat. Alle vier aanwezige Franse architectenbureaus tonen een voorkeur voor glas en staal als bouwmaterialen. Maar verder delen de architecten weinig. Perraults minimalisme staat in de lange en eerbiedwaardige Franse architectuurtraditie van rationalisme en 'clarté'. De ontwerpen van Decq & Cornette ogen enigszins als high-tech, maar kunnen volgens het minieme tekstbordje bij hun werk beter worden betiteld als 'soft tech', omdat zij willen laten zien 'dat metaal emoties kan oproepen'. Francis Soler lijkt geobsedeerd door de beeldende mogelijkheden van glazen vliesgevels en Jourdan & Perraudin laten ten slotte zien dat ecologische architectuur niet per se de vorm hoeft te krijgen van kabouterachtige plaggenhutjes, maar ook een high-tech-karakter kan hebben.

De enige duidelijke boodschap die uit de tentoonstelling spreekt is dat je met staal en glas, net als met kurk, van alles kunt maken. Het is moeilijk te geloven dat dit nu de bijdrage van het traditioneel grote architectuurland Frankrijk aan 'het Europese debat' is. Maar ook de catalogus, die met zijn opmerkelijke vormgeving erom vraagt te worden uitverkoren tot een van de 'best verzorgde boeken van 1996', biedt geen uitkomst: net als de tentoonstelling bestaat deze uit een opeenstapeling van beelden met summiere, zakelijke toelichtingen.

Het was dan ook uitdrukkelijk niet de bedoeling van de vier architecten om van 3 scales-4 architects een 'didactische, wetenschappelijke presentatie van hun werk' te maken, aldus de toelichting van Feireiss op haar eerste grote expositie. Ze wilden 'een ruimte voor meditatie en sensuele impressies.' Didactisch is de expositie zeker niet geworden, maar de impressies zijn zo vaag dat de eerste Europese dialoog is verworden tot het ongearticuleerde gemurmel van vier Franse architecten. De gedachte dat goede architecten ook goede tentoonstellingsmakers zijn, is de expositie fataal geworden. De Fransen hebben iets gemaakt dat misschien interessant is voor hun Nederlandse vakbroeders die ook graag met staal en glas werken. De rest van de beoogde 100.000 bezoekers zal waarschijnlijk enige tijd dwalen langs de esoterische presentaties om na pakweg een half uurtje schouderophalend de grote zaal van het Nederlands Architectuurinstituut te verlaten. Als ze niet in slaap zijn gevallen in een van de strandstoelen.