Chess; Bobby Fischer Day

Op de eerste foto zien we hoe het gekomen is. De kleine Bobby Fischer speelt op de Marshall schaakclub in New York. Een fabeldier, gevangen in een kooi van omstanders. Niet verwonderlijk dat hij later zo streng werd en eiste dat de toeschouwers ver van het podium bleven en dat het boze oog van de camera niet zichtbaar was.

De andere foto is genomen in 1972. Het was Bobby Fischer Day in New York. Fischer heeft de gouden medaille van zijn geboortestad ontvangen en hij wandelt in gezelschap van burgemeester John Lindsay door Manhattan om zijn bewonderaars, die met duizenden zijn opgekomen, de hand te schudden. O, wat een mooie tijd was dat, voor de Amerikanen en voor bijna de hele schaakwereld. Zelfs veel Russische schakers vonden het in hun hart prachtig dat de Amerikaan in zijn eentje de Sovjetschaakmachine had verslagen en wereldkampioen was geworden.

J.H. Donner schreef toen: “(...) maar hij weet nu dat er alleen maar schaken is. Zo is het op het ogenblik, want er is niet veel mensenkennis voor nodig om te voorspellen dat Fischer niet lang wereldkampioen zal blijven. Zijn nukken, kuren en grillen zullen zich tegen hemzelf keren op het moment dat hij het hoogste bereikt heeft. Zijn slag zal dan in de lucht wezen.” Dat was goed gezien van Donner. Als Fischer nu in New York zou komen, ligt er een arrestatiebevel voor hem klaar.

Tussen Russen, Letten, Esten, Oekraïners en Armeniërs maakte Fischer geen onderscheid. “Voor mij zijn jullie allemaal Russen”, zei hij. Nu zijn geest in duisternis wandelt hebben de 'Russen' teruggeslagen. Ze domineren de schaakwereld en de wereldschaakbond. Ze hebben ook het Amerikaanse topschaak overgenomen.

De beste Amerikaanse schaker is Gata Kamsky. Welingelichte kringen beweren dat hij twaalf uur per dag aan zijn medische studie werkt, maar zelfs als dat waar is houdt hij nog een uur of vijf over om te schaken. De Amerikaanse kampioen is Alex Yermolinsky, bijgenaamd The Yerminator, om zijn meedogenloos efficiënte technische stijl. Doordat Kamsky niet meedeed aan de olympiade in Jerevan bestond het Amerikaanse team dat daar de bronzen medaille won slechts voor de helft uit geïmmigreerde Russen. Het Amerikaanse vrouwenteam bestond in zijn geheel uit Russen. Aan het laatste Amerikaanse kampioenschap (voor de mannen) deden veertien spelers mee. Onder hen tien Russische emigranten, Russisch in de zin van Fischer dan. De beste niet-Rus in dit kampioenschap behaalde de zevende plaats.

Hoe goed de techniek van de nieuwe Amerikaanse kampioen ook is, ook hij kan falen in een relatief simpel eindspel als zijn vlag op vallen staat. In de diagramstelling moest hij een belangrijke beslissing nemen, net op de laatste zet voor de tijdcontrole.

Wit Yermolinsky-zwart Igor Ivanov, Amerikaans kampioenschap 1996.

De zwartspeler is geen recente immigrant. Omstreeks 1980 vroeg hij, op reis van Havana naar Moskou, op een Canadees vliegveld politiek asiel aan. Er werd gegrapt dat hij de wraak van Karpov ontvluchtte, van wie hij in 1979 in Moskou een partij had gewonnen.

Wit komt een pion voor, want hij verovert zwarts pion d4. Maar dan? Wit kan de moeilijke beslissing niet tot na de tijdcontrole uitstellen, want na 40. Ke2 zou zwart met 40...h5 remise kunnen maken en, erger nog, met 40...fxg4 41.hxg4 h5 twee vrijpionnen kunnen maken die niet allebei gestopt zouden kunnen worden.

40. g4xf5? De verkeerde. Er volgde 40...g6xf5 41. Kf2-e2 Kf8-e7 42. Ke2-d3 h7-h5 43. Kd3xd4 h5-h4 44. Kd4-d3 Remise, wit kan niets meer doen. Commentator Larry Christiansen van Inside Chess laat zien dat wit in de diagramstelling met 40. g5! had kunnen winnen. Leerzaam om dit na te gaan. Het zit hem in de beheersing van veld f6 en belangrijk is dat wit met h3-h4 nog een tempozet heeft.