Bill Clinton belichaamt de tweeslachtigheid van de Amerikaanse kiezer; Republican Light

Amerikanen gaan graag te keer tegen politici, maar zijn zelden even radicaal als hun woorden. Ze kiezen voor een Republikeinse revolutie - totdat hun eigen belang in het geding is. Bill Clinton doorziet de reserves van zijn electoraat. Hij vijlde de scherpe kantjes van de Republikeinse agenda en ging er vervolgens mee aan de haal. Een president als surrogaat: minder krachtig, maar ook met minder nadelige bijwerkingen.

Soms dringt opeens in volle omvang tot een Amerikaans politicus door hoe diep de achterdocht is die zijn landgenoten koesteren jegens de politiek. Vier jaar geleden overkwam dat vice-president Dan Quayle, toen hij in Houston een bijeenkomst toesprak van de conservatief-christelijke beweging Christian Coalition, een steunpilaar van de Republikeinse partij. Quayle, die campagne voerde voor de herverkiezing van president Bush en hemzelf, werd met veel gejuich door zijn gehoor ontvangen. Door een aantal retorische vragen op te werpen zweepte hij het enthousiasme nog wat verder op. “Vertrouwen we Bill Clinton?” vroeg hij. “Neeeee”, loeide de menigte. “Vertrouwen we de linkse media?” vervolgde hij. “Neeeee”, klonk het antwoord weer. Daarop vroeg de vice-president: “Wie vertrouwen we wèl?” Waarop onmiddellijk en luid het antwoord kwam “Jesus!” Quayle, die gerekend had op een bulderend “George Bush”, was even volkomen van zijn stuk gebracht.

Politici staan nu eenmaal niet in een hoog aanzien in dit land. Afgeven op de politiek, en haar vertegenwoordigers in Washington, is niet alleen een uiting van de alledaagse onvrede die ook burgers in andere landen sceptisch maakt over hun gekozen vertegenwoordigers. Het wantrouwen van Amerikanen tegenover hun politici wortelt in de geschiedenis van het land: de stichters van de Verenigde Staten hadden al gemengde gevoelens over de macht van de centrale overheid en haar meest zichtbare instituties, de president en het Congres. Ze werden gezien als noodzakelijk, maar het gevaar dat hun macht ten koste zou gaan van de vrijheden van deelstaten of individuele burgers werd al meteen onderkend.

De afgelopen jaren is de afkeer van 'Washington' herhaaldelijk bij verkiezingen gebleken. Vier jaar geleden behaalde een volledige politieke buitenstaander, de Texaanse zakenman en miljardair H. Ross Perot, maar liefst negentien procent van de stemmen met zijn campagne tegen het bestaande politieke bestel en de heersende politieke klasse. Twee jaar geleden veroverden de Republikeinen voor het eerst in veertig jaar de meerderheid in beide huizen van het Congres, met de belofte de macht van de federale overheid drastisch in te krimpen en op belangrijke punten over te dragen aan de deelstaten. En dit voorjaar, tijdens de Republikeinse voorverkiezingen, distantieerden de kandidaten zich om het hardst van de Washington politicians, die verderfelijke soort die alleen maar belastingen en bureaucratieën voortbrengt.

Maar alle wantrouwen en ontevredenheid over politici ten spijt, nomineerde de Republikeinse partij deze zomer als haar kandidaat voor het presidentschap Bob Dole, een veteraan met 35 jaar ervaring in de Washingtonse politiek. En Ross Perot, die had beloofd een einde te zullen maken aan de oude manier van politiek bedrijven, richtte dit jaar een eigen partij op. Hij verzekerde zich van de nominatie door de enige uitdager die zich binnen zijn partij opwierp uit te schakelen op een manier die meer aan ouderwetse machtspolitieke spelletjes deed denken, dan aan de openheid die hij zo vurig bepleitte. Een debat met zijn rivaal ging hij met al te gemakkelijke uitvluchten (“geen tijd”) uit de weg. En het door Perot aangestelde partij-apparaat zorgde ervoor dat ruim voldoende stembiljetten voorhanden waren in staten waar de Texaan er sterk voorstond, terwijl dat op de een of andere manier niet lukte in staten waar zijn uitdager veel steun had.

Dat het enthousiasme voor Dole noch Perot onder de Amerikaanse kiezers groot is, kan dan ook nauwelijks als een verrassing komen. Het enthousiasme voor Bill Clinton is evenmin erg groot. Maar hij heeft de ambivalente gevoelens van de Amerikanen over de politiek waarschijnlijk het beste aangevoeld. Clinton, die zijn leven lang een overtuigd aanhanger is geweest van een actieve rol van de overheid in het maatschappelijk leven, heeft zich na de dramatische nederlaag van de Democraten bij de Congres-verkiezingen van 1994 politiek hersteld. Hij heeft zich de taal van de Republikeinse revolutie eigen gemaakt, de taal van de anti-Washington-profeten. “De tijd van een omvangrijke overheid is voorbij”, betoogde hij begin dit jaar in zijn State of the Union, de jaarlijkse toespraak tot het Congres waarin de president zijn beleid uiteen zet - the era of big government is over.

Hij klonk als een bekeerde Republikein, maar toch onderscheidde hij zich op een belangrijk punt van Newt Gingrich en de zijnen. De Republikeinse aanvoerder in het Huis van Afgevaardigden was zó overtuigd van zijn eigen gelijk, dat hij zich er niet meer om bekommerde hoe zijn beleid viel bij de kiezers. Clinton echter vergat geen moment dat een politicus zijn populariteitcijfers niet ongestraft kan verwaarlozen.

De president ontpopte zich als Republican Light: niet het echte spul, maar een goedlijkend surrogaat, minder krachtig maar ook met minder nadelige bijwerkingen. Hij besefte dat Amerikanen weliswaar graag te keer gaan tegen de politiek en de overheid, maar dat ze zelden even radicaal zijn als hun woorden. Ze kunnen schelden op politici die het landsbelang achterstellen bij dat van bepaalde groepen. Maar zodra hun eigen belang in het geding is, verwachten ze dat diezelfde politici opkomen voor hun particuliere noden. Betogen dat het begrotingstekort moet worden weggewerkt is één ding. Maar daartoe snoeien in sociale voorzieningen zoals de medische verzekering voor ouderen, waarvan in elke familie wel iemand profiteert, is weer iets heel anders.

Van die tweeslachtigheid in het Amerikaanse electoraat is Clinton de belichaming. Als een goede Republikein bepleit hij een klein overheidsapparaat. Maar vervolgens voert hij een campagne waarin nieuwe overheidsmaatregelen centraal staan - van regels om geweld op televisie aan banden te leggen tot subsidie voor vernieuwing van het Internet en ongekende uitbreiding van opsporingsbevoegdheden voor de politie. Hij stemt in met afschaffing van de zestig jaar oude garantie die alle arme Amerikanen door middel van bijstand beschermde tegen de ergste armoede. Maar hij belooft meteen daarna dat hij, als hij herkozen wordt, zal zorgen voor een nieuw vangnet voor wie buiten de boot valt.

Bill Clinton is de president die de Amerikanen verdienen, The President We Deserve, aldus de titel van een pas verschenen boek van Martin Walker, de correspondent in Washington van de Britse krant The Guardian. Clinton is de president van een land dat eerst kiest voor de radicale Republikeinse Congresleden van Newt Gingrich, maar dat binnen twee jaar al weer aanstalten maakt om terug te krabbelen. Hij is president van het land dat een wereldmacht wil zijn, ook op militair gebied, maar dan zonder levens van soldaten in gevaar te brengen. Hij is de president van het land dat er altijd over klaagt dat Congres en president zo vaak met elkaar overhoop liggen, maar dat het eigenlijk heel geruststellend vindt dat het Capitool en het Witte Huis elkaar op die manier in toom houden.

Voor Newt Gingrich, die zichzelf een jaar geleden nog zag als de trotse voorman van een radicale historische omwenteling, is Clintons succesvolle wederopstanding als gematigde Republikein een hard gelag. Gingrich was het die luisterde naar de onvrede van het electoraat en kwam met een plan om de bezem door Washington te halen. Zijn Contract met Amerika was daar de uitwerking van: een verkiezingsprogramma waarin de Republikeinen harde beloftes deden over de afschaffing van privileges voor Congresleden, volledige terugdringing van het begrotingstekort, inkrimping van de overheid en verschuiving van macht naar de deelstaten. De kiezers gaven in 1994 massale steun aan de Republikeinen die het Contract onderschreven. De nieuwe lichting, die voor een groot deel bestond uit politieke debutanten, beloofde een stem te geven aan de frustraties van de gewone Amerikaan over de politiek. Onder aanvoering van Gingrich zouden ze radicaal breken het bestaande politieke systeem dat, zo was hun overtuiging, de belangen van de burgers volledig uit het oog had verloren en daarom iedere legitimiteit had verspeeld.

Maar de Republikeinen verkeken zich op de publieke opinie. Gingrich en de zijnen mochten de verkiezingen voor het Congres hebben gewonnen, het onbeperkte vertrouwen van de Amerikanen hadden ze daarmee nog allerminst. Ze bleven in de ogen van het publiek politici, ook al noemden ze zich zelf revolutionairen. En zoals Clinton dagelijks ondervindt: politici worden gewantrouwd. Maar dat simpele feit verloor Gingrich uit het oog terwijl hij zich inzette voor de compromisloze uitvoering van zijn mandaat.

De triomfantelijke trefwoorden 'radicaal' en 'revolutie' verloren voor het Amerikaanse publiek snel hun glans toen de Republikeinen aanbelandden bij de uitvoering van een van hun voornaamste beloftes: de volledige terugdringing van het begrotingstekort. De drastische hervorming van de sociale zekerheid en het stelsel van ziektekostenverzekeringen die daarvoor nodig was, voelden veel Amerikanen - daartoe krachtig aangemoedigd door Clinton en de Democraten - als een bedreiging. Toen de Republikeinen bovendien instemming van de president met hun begroting probeerden af te dwingen door de financiering van het overheidsapparaat stop te zetten, verloren ze veel steun.

Hun vastbeslotenheid om niet, zoals politici van het oude stempel deden, te zoeken naar compromissen brak hun op. Toen de overheid de afgelopen winter in totaal 27 dagen moest sluiten wegens geldgebrek, gaf de publieke opinie de Republikeinen de schuld. Terwijl zijzelf hun weigering om water in de wijn te doen beschouwden als de toetsteen van hun betrouwbaarheid, zagen de meeste Amerikanen er slechts een verwerpelijke onbuigzaamheid in. Gingrich en zijn revolutie raakten in diskrediet. Clinton liet ondertussen geen kans voorbij gaan zich op te werpen als de laatste barrière tegen wat hij noemde de Republikeinse extremisten in het Congres, die uit waren op de uitkeringen van zieken en bejaarden.

De populariteit van Newt Gingrich is inmiddels zo diep gezonken dat zelfs zijn eigen partij zich van hem probeert te distantiëren. Een aanzienlijk deel van het Contract met Amerika is uitgevoerd, van de beperking van de privileges van het Congres tot hervorming van de bijstand. En de voornaamste principes van de “Republikeinse revolutie”, een kleinere overheid en overdracht van macht aan de deelstaten, zijn inmiddels gemeengoed en zijn zelfs overgenomen door de Democratische president. Maar dat kolossale resultaat is meteen het probleem van de Republikeinen: Clinton is met hun agenda aan de haal gegaan, heeft de scherpe kantjes er van afgevijld en er een menselijk gezicht aan gegeven.

Als opinie-onderzoekers Amerikanen vragen - in navolging van Dan Quayle vier jaar geleden - of ze Bill Clinton vertrouwen, dan is het antwoord van de meerderheid nog altijd 'Nee'. En toch lijken ze hem op 5 november te zullen herkiezen. Die paradox hebben de Republikeinen nog altijd niet doorgrond. Bob Dole blijft campagne voeren met de verzekering dat hij te vertrouwen is. Maar is betrouwbaarheid wel een eigenschap waar welke Amerikaanse politicus dan ook - laat staan een typische representant van de politieke cultuur in Washington als Bob Dole - tegenwoordig nog mee aan kan komen? Amerikanen weten dat ze in de politiek, om bij de les van Dan Quayle te blijven, De Verlosser niet zullen vinden. Misschien zoeken ze niet meer dan een president van wie ze weten wat ze aan hem hebben, wiens streken ze kennen.