Bedrijfsconcentratie bevordert ongelijkheid

Meer dan de helft van de grootste honderd economieën in de wereld zijn geen landen maar ondernemingen. De omzet van General Motors is groter dan het BNP van Denemarken. Fords omzet is groter dan Zuid-Afrika's BNP. Toyota is groter dan Noorwegen.

Grote ondernemingen beweren dat zij voor veel werkgelegenheid zorgen, consumenten overal ter wereld tegen lage prijzen goederen van hoge kwaliteit leveren en mensen over geografische grenzen heen bijeenbrengen in een 'werelddorp'. Het Amerikaanse regeringsbeleid dient overwegend de belangen van deze grote ondernemingen, of het nu gaat om belastingvoordeel of om vrijhandelsverdragen.

Uit een studie die wij hebben geschreven voor het Institute for Policy Studies blijkt daarentegen dat de concentratie van economische macht in een betrekkelijk klein aantal ondernemingen zorgwekkend is.

De omzet van de 200 grootste ondernemingen samen beloopt een kwart van de totale economische activiteit in de wereld. Verschaffen ze ook meer dan een kwart van de mondiale werkgelegenheid? Volgens ons onderzoek bieden ze tezamen werk aan slechts 18,8 miljoen mensen, minder dan 0,75 procent van het arbeidspotentieel wereldwijd.

In deze tijd van automatisering en personeelsinkrimping verhogen grote ondernemingen hun winst door personeel te ontslaan, niet door mensen aan te nemen. General Motors, 's werelds grootste werkgever in de bedrijfssector, had vroeger meer dan een miljoen mensen in dienst en hielp honderdduizenden zwarten aan een plaats in het arbeidsproces. Thans staan er nog maar iets meer dan 700.000 mensen op de loonlijst.

Dan de bewering dat multinationale ondernemingen voordeliger kunnen leveren aan de consument. Door de dominante positie van de grootste ondernemingen bestaat een derde van de wereldhandel uit transacties tussen de diverse vestigingen van één concern. Met andere woorden, de verzending van onderdelen door General Motors in Detroit naar een GM-vestiging in Mexico maakt een groeiend aandeel van de wereldhandel uit.

Economische concentraties in tal van sectoren werkt ook remmend op prijsdaling. In de autobranche zorgen de grootste vijf ondernemingen voor bijna 60 procent van de mondiale omzet. In de elektronica-sector zijn de grootste vijf goed voor meer dan de helft van de mondiale omzet. Meer dan 30 procent van de omzet hebben de grootste vijf in de sectoren luchtvaart, vliegtuigbouw, staal, olie, PC's, chemicaliën en de media.

In al deze sectoren worden de prijzen niet vastgesteld door concurrentiedruk en krijgt de consument zelden prijsdalingen te zien.

Grote ondernemingen gaan er prat op dat zij de wereld bijeenbrengen door hun goederen en diensten te distribueren op een mondiale markt. Maar in feite lijkt dat wat deze ondernemingen teweegbrengen meer op mondiale economische apartheid. Twee derden van de wereld (de armste 20 procent in de rijke landen en de armste 80 procent in de arme landen) kunnen geen baan krijgen in de vestigingen van deze multinationale ondernemingen en kunnen zich ook de produkten van deze concerns niet veroorloven.

Het verschil in economische macht tussen de grootste 200 bedrijven en de landen en mensen onder aan de ladder is verbijsterend: als we de totale omzet van deze bedrijven afzetten tegen de totale verdiensten van de armste 80 procent van de wereldbevolking, blijkt dat de ondernemingen economisch bijna tweemaal zoveel in de melk te brokken hebben.

De gezamenlijke omzet van de grootste 200 bedrijven is groter dan de economieën van alle landen samen, minus de grootste negen. Samen zijn de 200 bedrijven dus groter dan 182 landen. De omzet bij één onderneming, Wal-Mart, was vorig jaar groter dan de economie van 161 landen afzonderlijk.

De ondernemingen in de top-200 versterken hun dominante positie in de wereldeconomie nog gedurig. In 1982 stond hun totale omzet gelijk met 24,4 procent van het mondiale BNP. Dat cijfer is nu 28,3 procent. Bedrijfswinsten stijgen pijlsnel - maar liefst 75 procent tussen 1990 en 1995. Tegelijkertijd valt aan werknemers en lokale overheden een steeds kleiner deel van de groeiende taart toe.

In het politieke debat rond de aanstaande Amerikaanse presidentsverkiezingen schittert de kwestie van de bedrijfsconcentraties door afwezigheid. Als de voornaamste kandidaten het over de economie hebben, beperken ze zich tot de kosten van voedselbonnen voor de armen, hun voornemen om bijstandsmoeders te dwingen een baan te nemen of de economische remwerking die zou uitgaan van ongeregistreerde immigranten.

De feiten over de mondiale macht van ondernemingen geven aan dat de werkelijke economische remfactoren boven aan de economische ladder zitten, en niet onderaan. De steeds snellere concentratie van ondernemingen draagt er toe bij dat de ongelijkheid toeneemt, en dat is schadelijk voor iedereen omdat ze de sociale structuur van de samenleving aantast.

De presidentskandidaten hadden zich ook eens kunnen buigen over de regelingen voor de verstrekking van garanties en exportfaciliteiten aan bedrijven die internationaal opereren. Ze zouden kunnen voorstellen deze regelingen te vervangen door andere regelingen die ondernemingen stimuleren te investeren in de eigen samenleving en in eigen land meer personeel aan te nemen.

Veel van de zorgen over de economie in Amerika en elders wortelt uiteindelijk in de groeiende ongecontroleerde macht van ondernemingen.