Waar komen die zakken vandaan? De bommelding en de AKO-prijs

Als genomineerde voor de AKO-literatuurprijs was Rudy Kousbroek vorige week zaterdagavond in de Beurs van Berlage in Amsterdam waar in het rechtstreeks uitgezonden televisieprogramma van Sonja Barend de prijs zou worden uitgereikt - tot een bommelding de uitzending in de war stuurde. De prijs werd op straat uitgereikt, maar Rudy Kousbroek was er niet bij. Waar was hij?

'Hoe is het om op de nominatie voor de AKO-prijs te staan?' zo begon ik vorige week: 'daar zal ik nu iets over vertellen.'

Maar zie, wat ik vertelde was nog niets. Gefascineerd heb ik gekeken naar een video-opname van wat zich op het Damrak afspeelde nadat de Beurs plotseling ontruimd moest worden omdat er een bom zou ontploffen. Vonhoff die 'schreed als een veldheer en volzinnen bleef produceren,' aldus Arjan Peters in de Volkskrant: 'de genomineerden liepen naast hem mee, met uitzondering van Rudy Kousbroek, die door een strenge vriendin meteen mee naar huis was genomen.' Later, op die video - maar niet op het moment zelf! - heb ik ook nog de uitroep: 'Waar is Rudy Kousbroek?' horen weerschallen over de madding crowd op het Damrak.

Ja, waar was ik? De veronderstelling dat mijn strenge vriendin mij mee naar huis had genomen is onjuist. Wij waren van de kudde gescheiden geraakt. Ziehier een korte samenvatting van het voorafgaande.

Het nieuws dat er een bom was geplaatst kwam middenin die rusteloze zelfbedieningsmaaltijd in de Beurshal. Ik bevond mij aan een tafel met Willem Otterspeer en diens twee vrouwen, plus de meergenoemde strenge vriendin en haar man de schaak-grootmeester, en Doeschka Meijsing, die ik had uitgenodigd omdat mijn dierbare Ierse echtgenote zich voor dringende familiezaken in haar vaderland bevond. Ik heb die maaltijd maar gedeeltelijk kunnen nuttigen: eerst werd ik weggeroepen om geschminkt te worden (merkwaardig, hoe ze je met zo'n kunstmatig gebruinde kop iets van een politicus of een zakenman weten te geven) - en ik was nog niet geschminkt of ik werd alweer meegetroond, nu om in een zijkamertje van een draadloze microfoon op mijn lapel plus een zendertje in mijn binnenzak te worden voorzien.

- Nu kunnen ze alles horen wat je zegt, zei mijn vriend de schaker (Hans genaamd) toen ik weer kwam zitten. Er staat daar ergens een ontvanger en daar kunnen ze ieder woord op horen.

- Zou dat waar zijn? vroeg ik, en mij naar mijn lapel overbuigend riep ik op samenzweerderstoon in het microfoontje: De bommen liggen klaar voor de staatsgreep!

- Pas maar op, zei Hans, als die Sherlock Holmesen van de bewaking dat horen laten ze de zaal ontruimen.

- Welnee, zei ik, zo'n ernst hebben ze alleen in boulevardcomedies.

Kort daarop werd ik opnieuw de coulissen in getrokken, ditmaal door Iriminia, de assistente van Sonja Barend, voor een ultieme briefing omtrent het verloop van de interviews. En toen pas verscheen de in alle beschrijvingen gelauwerde politieman, die uitriep: 'Geen paniek! Er is een bommelding binnengekomen. Wij hebben gegronde redenen om dit serieus te nemen! Begeeft U allen rustig naar de uitgang!'

Zo kwam de show dus op straat terecht. Zonder ons, want wij gingen eerst onze jassen halen en bij de vestiaire was de situatie een beetje uit de hand gelopen. Paniek kun je het misschien niet noemen, maar de schrik zat er bij veel mensen toch wel duidelijk in; enkele bekenden zagen wij naar buiten galopperen als paarden uit een brandende stal. Vrouwen en kinderen eerst! riepen we nog, maar niemand luisterde. Ik vrees dat het bij geen van ons opkwam de gebeurtenissen 'serieus' te nemen; we zagen het meer als een farce.

De straat was afgezet. Instructies waren er niet. We zijn toen maar in een café tegenover de beurs gaan zitten; we dachten in onze onschuld dat we na een poosje gewoon weer de Beurs in zouden mogen. Zo ledigden we welgemoed de fles wijn die we hadden laten aanrukken. Hans bracht mij nog eens onder het oog dat ik de ontruiming had veroorzaakt door mijn onverantwoordelijke gedrag met de microfoon. Na een poosje waagde mijn strenge vriendin zich naar buiten om een voorbijkomende agent aan te spreken. De politie schept er dan vaak behagen in je bij wijze van antwoord op alle vragen tot doorlopen te manen, maar dat liet mijn strenge vriendin zich niet welgevallen; weldra kwam zij terug met het nieuws dat de bommelding afkomstig was van 'de Autochtone Cellen'.

- Dat moet zijn de Autonome Cellen, zei Hans, die willen de auto's weghebben.

- Attentie! Hier de Autochtone Cellen! De auto moet verboden worden! riep ik in mijn microfoon, want die droeg ik nog steeds op mijn lapel en het zendertje zat nog in mijn binnenzak. Ook ving ik in een spiegel een glimp op van de kop van een zojuist van de wintersport teruggekeerde zakenman.

- We moeten dicht, kwam de kroegbaas ons vertellen. Orders van de politie. 't Is te gevaarlijk met die ruiten hier.

Buiten werden we meteen onverbiddellijk een steeg ingejaagd. Toen we in de buurt van de Dam kwamen hoorden we van mensen die daar nog stonden na te praten dat de uitreiking op straat had plaatsgehad en Frits van Oostrom de winnaar van de AKO-prijs was. De plechtigheid was al afgelopen. We waren niet van plan ons daardoor uit het veld te laten slaan en begaven ons naar het huis van Doeschka Meijsing om de schmink van mijn kop te wassen en te proberen haar wijnkelder leeg te drinken.

Zo kwam het dus dat ik Zaterdagavond de uitreiking van de AKO-prijs heb gemist. Hoe het in zijn werk ging dat ik ook niet aanwezig was bij de speciale tweede ronde, die vervolgens in allerijl voor Zondagmiddag werd georganiseerd, is nog veel ingewikkelder en bij de televisiemensen, zo bleek uit de gebeurtenissen daarna, moet de gedachte hebben postgevat dat ik was weggebleven uit hovaardij.

Het begon er mee dat ik het grootste deel van die Zondagochtend onbereikbaar was. Niet alleen dat de feestelijkheden in huize Doeschka zich nog tot diep in de nacht hadden voortgezet, maar ook was ik al weer vroeg op stap met mijn dochtertje (van 10) om op bezoek te gaan bij mijn moeder (van 96). Toen we omstreeks het middaguur thuis kwamen stond de telefoon roodgloeiend. De televisie bleek naar mij op zoek te zijn. Na diverse verwikkelingen sprak ik met mijn uitgeefster, die mij uitlegde dat 'de uitzending van Sonja' nu plaats zou vinden 'in de uitzending van Hanneke Groenteman', en dat op mijn aanwezigheid daarbij werd gerekend.

- Helaas, zei ik, dat is niet te organiseren: ik ben alleen met mijn dochtertje en we hebben voor vanmiddag een afspraak.

- Bel die dan af, als je zegt waar het voor is zullen ze dat toch wel begrijpen.

Mijn uitleg waarom dat onmogelijk was stuitte zelfs bij mijn uitgeefster op scepsis. - Heus waar, zei ik, het is bij de familie B. in Den Haag, je kent ze ook; hun telefoon is kapot, probeer zelf maar. En zo belangrijk is het toch ook niet? Als je het aan Hanneke Groenteman uitlegt zal ze het zeker begrijpen.

In dat laatste bleek ik mij grondig te hebben vergist. Bij de familie B. thuis keken wij naar de televisie en met ongeloof hoorde ik Groenteman zeggen 'Rudy Kousbroek wilde niet komen: wat hem betreft mogen we allemaal in zakken worden genaaid en in de gracht worden geworpen.'

Mijn verbazing was volkomen: dat had ik die nacht bij Doeschka in een heel ander verband tegen heel iemand anders gezegd.

Voor een goed begrip van dit alles diene dat ik in de Nederlandse televisiewereld een totale vreemdeling ben. Ik kijk heel weinig televisie en ben vermoedelijk de enige Nederlander die nog nooit een uitzending van Sonja Barend had gezien. Om het nog pijnlijker te maken had ik haar, toen ik een paar weken geleden op de persconferentie van de AKO met haar kennismaakte, aangezien voor Hanneke Groenteman. Een verdere complicatie is dat je telkens andere mensen aan de telefoon krijgt, die denken dat je weet wie ze zijn en veronderstellen dat je de namen van al die uitzendingen kent. Die van het programma 'Plantage' bijvoorbeeld zei mij niets, ik had er nog nooit van gehoord; voor die tv-mensen is dat zo onvoorstelbaar dat ze denken dat je doet alsof.

Waar kwamen die zakken vandaan? Midden in die wilde nacht bij Doeschka ging de telefoon: zij kreeg te horen dat een televisieuitzending met haar de volgende dag niet zou doorgaan. Zij was onthutst want zij had tien mensen uitgenodigd om met haar in die uitzending op te treden. Kort daarna ging de telefoon opnieuw; kon Rudy Kousbroek niet 'helpen' door aan Doeschka te zeggen dat het echt niet door kon gaan?

Het was bij die gelegenheid dat ik de meer geciteerde zakkenboodschap uitsprak. Ik had geen idee wie ik aan de telefoon had, en met het feit dat ik de volgende dag verhinderd zou zijn naar Amsterdam te komen had die uitspraak uiteraard niets te maken, want dat wist ik toen nog niet.

Later belde ik mijn uitgeefster op; zij was bij de uitzending aanwezig geweest: had zij mijn boodschap niet aan Groenteman overgebracht? Ja zeker, dat had zij. Ook Iriminia, de assistente van Sonja Barend had nog opgebeld en ook haar had ik ingelicht.

Groenteman wist dus heel goed waarom ik verhinderd was en heeft dat doelbewust verzwegen. Zo blijkt die televisiewereld bij nadere kennismaking niet zo plezierig te zijn, en weerwoord is daar onbekend. Het had mij al eerder verwonderd dat noch Hanneke Groenteman, noch Sonja Barend ooit zelf aan de telefoon komt, zelfs niet in situaties als deze. Zij doen dat, zo blijkt bij navraag, nooit - alle werkzaamheden, ook de voorbereidende gesprekken over je boek, worden gedaan door assistenten door wie zij vervolgens weer worden gebriefd. Wat doen ze eigenlijk zelf?

Het viel mij op dat Groenteman onvervroren aankondigde geen van de AKO-boeken gelezen te hebben, alsof zij lezen als een soort corvee beschouwde: die boeken hoorden niet bij mijn programma, dus die hoefden niet. Overigens maakt zij een erudietere indruk dan Sonja Barend, die ik er sinds ik haar heb zien optreden van verdenk voornamelijk uittreksels te lezen. Ze had telkens 'wel duizend vragen', maar ik heb haar niet één verstandige vraag horen stellen; er kwamen alleen maar banaliteiten en daar op het Damrak kon zij zich zelfs de titels van de betrokken boeken niet herinneren.

Wie dat ook niet foutloos bleek te kunnen was Vonhoff. Het verbaast mij iedere keer opnieuw hoe politici ook voor de middelmatigste prestaties altijd doen of zij een stormachtig applaus verdienen - en dat van het grote publiek ook vaak krijgen, alsof het bang is dat er anders een pijnlijke situatie ontstaan zou. Voor politici bestaat een merkwaardige inflatie: De Gaulle die vanaf een balkon drie woorden Duits spreekt en in de media als 'een begaafd linguïst' wordt begroet.

De ware verhoudingen bleken nog eens toen Frits van Oostrom op indrukwekkende wijze een gedicht van Nijhoff voordroeg: hij kende het uit zijn hoofd. Zo hoort het, maar wie vindt dat nog vanzelfsprekend?