Vier studies over continuïteit en revolutie; Het noodlottige elan van Rusland

Zonder baas laat Rusland zich niet hervormen. De baas is nu zoek. En dus heeft Rusland een probleem. De perikelen in het Kremlin, waar generaal Lebed vorige week werd ontslagen, zijn daarvan een voorbeeld. Over de oorzaken van deze chaos wordt minder gesproken. Vier wetenschapelijke studies bieden een handvat om te begrijpen hoe het zo ver heeft kunnen komen.

Tim McDaniel: The agony of the Russian idea. Princeton University Press. 193 blz. ƒ 64,65

Dmitri Shalin (ed.): Russian culture at the crossroads. Paradoxes of postcommunist consciousness. Westview Press. 341 blz. ƒ 43,75

Iver B. Neumann: Russia and the idea of Europe. A study in identity and international relations. Routledge, 253 blz. ƒ 44,50

Daniel Rancour-Laferrière: The slave soul of Russia. The cult of suffering en moral masochism in Russia. New York University Press (1995), 330 blz. ƒ 83,50

Het gebeurde tijdens een klassieke sovjet-lunch aan de Soevorovski-boulevard in Moskou, in 1992. Het was voorjaar, die 'actrice der lente die ons, met haar lichte bewegingen en vreselijke liefde, roept tot het leven' zoals de popgroep DDT uit Leningrad toen zong. Het waren de wittebroodsweken van Boris Jeltsin. Te gast was de 'grijze kardinaal' Gennadi Boerboelis, staatssecretaris en intellectuele biechtvader van de president.

Gespreksonderwerp was aanvankelijk zijn revolutionair democratische politiek en de kwaadaardige oppositie daartegen. Totdat Boerboelis ineens uit zijn rol schoot en het Westerse journaille een lesje ging lezen. Rusland was geen dader maar slachtoffer. Rusland was eigenlijk hét konijn van de twintigste eeuw. Ergens, aldus Boerboelis, moest de proef met het communisme toch worden gehouden. Het laboratorium voor deze maatschappelijke lobotomie bleek Rusland. De rest van de wereld keek vanachter het glas toe, deels huiverig, deels instemmend. Maar toen ze het experiment zagen mislukken, wisten de waarnemers dat ze voortaan maar beter verre van het communisme konden blijven. De konijnen moesten het onderling maar uitzoeken.

Gennadi Boerboelis is inmiddels uit het Kremlin verdwenen. Maar zijn theorie is springlevend. Het dit jaar verschenen boek Za derzjavoe obidno (ongeveer 'Pijn om de grootmacht') van generaal Aleksandr Lebed getuigt daarvan. Ook Lebed is vorige week formeel uitgerangeerd. Maar volgens de Sint-Petersburgse auteur Viktor Krivoelin is de voormalige paratrooper ondertussen wel 'een der beste hedendaagse schrijvers van Rusland' geworden, omdat hij erin is geslaagd de negentiende-eeuwse literatuur (van Lermontov en Poesjkin tot Gogol en Dostojevski) met zijn eigen persoonlijkheid te vermengen. Heldendom en noodlot sporen daarom naadloos. 'Ik was altijd een fatalist, maar wel een onbewuste. In Afghanistan kreeg het fatalisme echter een andere kwaliteit, het werd een soort religie', aldus Lebed. Krivoelin voegt er in een bespreking voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung aan toe: 'Lebed is een man van de daad, ómdat hij een man van het woord is: literator én literair figuur tegelijkertijd. Als schrijver verheug ik me daarover. Of ik me daar als staatsburger ook over kan verheugen, zal de tijd leren.'

Messias

Het credo van Lebed mag dan fatalistisch heten, er zit ook een stevige dosis messianisme in. In Rusland horen fatalisme en messianisme bij elkaar als water en vuur. De taken die Rusland zichzelf als redder toedicht, zijn namelijk altijd immens geweest. Zo ongelooflijk dat de individuele Rus, in het zicht van de gevolgen, al gauw het hoofd voor het 'noodlot' buigt.

In de zestiende eeuw moest Rusland het christendom redden voor de poorten van de Mongoolse hel. Dat lukte, maar de Tataarse overheersing (van de dertiende tot medio zestiende eeuw) zou in de Russische staatsinstellingen een onuitwisbaar spoor achterlaten, een vorm van centralisme waaraan geen tsaar zich kon onttrekken. Tussen 1941 en 1945 moesten de Russen de Europese arbeidersbeweging bevrijden van het fascisme. Weer slaagden ze, maar redelijk snel daarna verloor het communisme in de rest van Europa zijn vooroorlogse glans (een luidruchtige groep evangelisten daargelaten) en moest het uitverkoop houden. De communisten in de satelliet-landen kregen spotgoedkope olie en gas, terwijl de Russen in eigen land in de rij moesten staan. In 1991 konden de Russen uiteindelijk zichzelf ontdoen van hun eigen communisme. Maar ze werden opnieuw niet bedankt. De minderheden in het Russische rijk, die 'gevangenis der volkeren', begonnen voor zichzelf. Ze bleken niet gediend van de pretentie dat alleen de geestelijke cultuur uit Rusland een dam kan opwerpen tegen het 'oppervlakkige en materialistische individualisme' uit het Westen. De Russen bleven achter met de wetenschap dat stank altijd voor dank komt, maar ook met de hoop dat hun eigen land nu tenminste 'democratisch' (lees: beter) geleid zou worden. Het nieuwe Rusland zou zowel de romantische als de verlichte verlangens in één klap bevredigen. Democratisch drinken en dansen, wat wil een mens nog meer?

Het heeft niet zo mogen zijn. De wittebroodsweken van de hervormingen zijn echt voorbij. Afgelopen zondag won voormalig vice-president Aleksandr Roetskoj, die in 1993 nog kortstondig gevangen zat wegens gewapend oppositie tegen het staatshoofd, de gouverneursverkiezingen in Koersk met maar liefst 79 procent. Het recentste klapje op de vuurpijl.

Het wordt dus tijd voor reflectie. Het kan dan ook geen toeval zijn dat, nadat de afgelopen jaren vooral journalisten het brutalere sloopwerk hadden gedaan, de traditionelere wetenschap zich nu heeft gestort op de continuïteit van Rusland. Tot de Tweede Wereldoorlog was het een bekender genre, zij het vooral in de vorm van reisverslagen, variërend van het befaamde La Russie en 1839 van de Franse markies De Custine tot de Russische toestanden van de Nederlandse dominee Johannes Kromsigt en de reportages die Joseph Roth in de jaren twintig voor de Frankfurter Zeitung schreef. Tijdens de Koude Oorlog bleef de continuïteit tussen tsaristisch en sovjet-Rusland weliswaar aan de orde. Maar de scherpte in de vraagstelling werd overschaduwd door de politieke confrontatie tussen proletarisch internationalisme en burgerlijke democratie.

Nu krijgen de oude thema's weer het volle pond. Het zijn allemaal studies die moeten aantonen dat de werkelijkheid weerbarstiger is dan de theorie. Vorig jaar verscheen de sociaal-freudiaanse analyse The slave soul of Russia van de Amerikaanse slavist Daniel Rancour. Hoewel hij zich soms verliest in een neiging tot psychologiseren, weet Rancour in dit boek helder te illustreren dat de positie van de vrouw de kern van het Russische vraagstuk is. Het moederland Rusland heeft een feminien geslacht en dus een vent (moezjik) nodig.De dorpse samenleving, waar de vrouw de hoeve en de moestuin bestiert en de man op het land groots mag zijn mits horig jegens God en tsaar, heeft zich in de tweede helft van deze eeuw in het urbane Rusland gekopieerd. Waar de moeder voor de gemeenschap borg staat, symboliseert de vader de maatschappij. De moeder lijdt en troost, de vader faalt en slaat. Bij beiden slaat masochisme om in sadisme, en omgekeerd. Niet alleen de politieke cultuur voldoet aan dit schema, het taalgebruik is ermee doordrenkt. En dus ook het bewustzijn, aldus Rancour. De halve Russische literatuur is daarbij zijn bondgenoot.

Dit jaar volgden Russian culture at the crossroads (een bundel met deels Russische opstellen) en Russia and the idea of Europe (een wat dor overzicht van de Noorse politicoloog Iver Neumann). De recentste bijdrage uit deze reeks springt het meest in het oog: het formidabele essay The agony of the Russian idea van de Californische socioloog Tim McDaniel. In nog geen tweehonderd pagina's legt hij uit waarom de grootscheepse hervormingsprojecten, die Rusland in de loop der eeuwen heeft mogen beleven, zijn verzand in een eeuwig moeras dat steeds sterker is dan de wil der reformatoren om het droog te leggen.

Wie de continuïteit in deze Russische geschiedenis van breken en bouwen wil begrijpen, moet een paar begrippenreeksen in het oog houden: de verhouding tussen de leider, de staat en de onderdaan, alsmede de relatie tussen God, de intelligentsia en het volk. Beide driehoeken vloeien in elkaar over. Ze vormen zo een magische piramide die zowel het tsaristische, het socialistische als het huidige Rusland domineert. God stuurt de leider. De staat is het apparaat van de leider, zij het op afstand zodat de leider nooit honderd procent verantwoordelijk hoeft te zijn voor de details. De intelligentsia op haar beurt is dienstbaar aan de leider, zonder dat dit haar ervan weerhoudt de staat, namens de onwetende massa, te bestrijden. En ondertussen is de onderdaan onderworpen aan de mythe van hét volk als organische en bovenal 'normatieve' entiteit. Die entiteit is geen maatschappij maar een gemeenschap. Of, in de woorden van McDaniel, Rusland is een 'ultieme waarde', kent dus een 'hogere vorm van gemeenschapszin' en 'deugd der gelijkheid' en daarom dient de staat 'goed' te zijn.

In de bovenste laag leidt deze benadering tot despotisme, in de onderste tot egalitarisme en in de middelste tot een manicheïstisch gevecht over 'goed en kwaad'. Alles bij elkaar vormen ze de Russische idee: Rusland als schip met één kapitein-naast-God, een bende saboterende en ambitieuze stuurlui en beneden een meute matrozen die hun werk doen, maar wel met tegenzin. Nagenoeg iedereen weet dat het geen zin heeft aan deze toestand iets te veranderen. Maar het verlangen is er wel, en dus is het wachten op die heroïsche kapitein die het schip keer op koers brengt. Je zou dit ook het Anna Karenina-effect kunnen noemen: wachten op een trein die niet volgens het spoorboekje rijdt maar eens zal vertrekken. Het resultaat is dat er om geloofwaardig te blijven façades, 'Potjomkin-dorpen', moet worden gebouwd.

Nieuw Jeruzalem

De Russische idee, zo schreef de filosoof Nikolaj Berdjajev (1874-1948) dan ook, is geen middel om 'de aardse stad op orde te brengen' maar hunkert slechts naar de 'strijd voor de stad die nog moet komen: het nieuwe Jeruzalem'.Hieruit volgt, welhaast onvermijdelijk, dat er op het ondermaanse permanent strijd moet wordt geleverd om Christus en tegen de anti-christ.

De leider, nu eens een tsaar dan weer een secretaris-generaal en thans een president, is het kristallisatiepunt van dit gevecht. Hij staat voor de 'waarheid': voor de 'waarheid' van het pure volk 'van honderdvijftig miljoen' en tegen de corrupte elite en doldrieste intellectuelen van 'enkele honderduizenden' (vrij naar Aleksandr Blok). Het despotisch karakter van zijn regime moet daarom anti-elitair gelegitimeerd worden. Geweld is het gevolg. Want de despoot moet mogelijke alternatieven voor zijn macht in een vroeg stadium aborteren. Concurrentie op het hoogste niveau ondermijnt immers de geloofwaardigheid dat het om 'wij' tegenover 'zij' gaat. Maar zodra hij een grens overschrijdt, kan zijn beeld omslaan van plaatsvervanger van Christus in anti-christ. Het terrorisme in de negentiende eeuw baseerde zich, in politiek-morele zin, onder meer op deze scheidslijn.

McDaniel nu gebruikt deze begrippen voor nagenoeg de hele moderne geschiedenis van Rusland. Te beginnen met Peter de Grote (tsaar van 1689 tot 1725), de eerste radikale modernisator. Het was Peter die de boedel van Ivan de Verschrikkelijke vaart gaf. Ivan had de militaire staat, die de Tataren na het verlies van hun islamitische chanaat te Kazan in 1552 hadden achtergelaten,intact gelaten omdat hij begreep dat hij alleen zo de immense 'ruimte' bij elkaar kon houden. Vervolgens werd ook de orthodoxie, na een schisma over een liturgische kwestie, aan de staat gebonden. Waarna Peter het land met harde hand én ideologische oekazes (bijvoorbeeld het verbod om baarden te dragen) naar zijn hand probeerde te zetten. Zijn bureaucratisch bestuur, met een strikte hiërarchische rangorde, zou later in het systeem van de 'nomenklatoera' tot ongekende bloei komen.

Snelkookpan

Het lukte Peter uiteindelijk niet om alle lagen van Rusland van zijn project te doordringen, omdat hij zich te hardhandig van het baarddragende volk afwendde. Katherina de Grote (tsarina van 1762 tot 1796) probeerde het nog een keer. Tevergeefs. Daarna kwam de klad in het radikale reformisme. Het was ook niet meer echt nodig. Totdat de samenleving medio negentiende eeuw wederom op drift raakte en zich niet meer langs de cerebrale lijnen van de vrome Aleksandr I (1801-1825) liet leiden. De intelligentsia (als aparte sociale groep een erfenis van Peter en Katherina) begon zich te roeren, zei het volk te representeren, maar raakte vooral onderling slaags, zodra het regime haar begon aan te pakken uit angst voor een herhaling van de Dekabristen-opstand. Met als gevolg dat ze nauwelijks effectief was.

Deze 'snelkookpan' ontplofte begin deze eeuw. McDaniel keert zich tegen de hardnekkige historiografische overtuiging dat de Oktoberrevolutie van 1917 het gevolg is geweest van een toevallige samenloop van omstandigheden. Die theorie paste volgens hem zowel in de kraam van Lenin als in die van zijn tegenstanders. Voor Lenin was de omwenteling een bewijs voor de juistheid van zijn voorhoede-theorie, die haar oorsprong in de Russische leiderscultus had. Voor zijn opponenten was ze een illustratie dat het slechts om een putsch ging.Geen van beide scholen kon daardoor verklaren hoe het mogelijk is geweest dat dit toeval vervolgens toch driekwart eeuw kon standhouden.

McDaniel kan dat wel. Ten eerste was er de positie van tsaar Nikolaas (1868-1918). Hij kon de razendsnelle ontwikkeling van het sociaal-economisch achterlijke Rusland niet aan. Maar terwille van het aureool van de tsaar mocht hij geen afstand doen van zijn unieke positie. Ten tweede waren er de communisten, die de egalitaristische snaar van het opkomende proletariaat en de horige boeren wisten te beroeren. Niet een abstract klassebewustzijn speelde hen in de kaart, maar hun cruciale kritiek op het wegvallen van de tsaristische gelijkheidsmythe. En ten derde was er de angst voor het Europese buitenland. Dat de Romanovs door al die huwelijken met Duitse prinsen en prinsessen, vreemden waren geworden, gaf de situatie net dat xenofobe toefje om explosief te worden. 'Toen de bolsjewieken hun macht consolideerden, markeerde hun overwinning de zege van een nieuwe versie van Russisch traditionalisme.'

'Het communisme is, in zijn poging om de dagelijkse wereld zin te geven, qua ambitie alleen vergelijkbaar met het protestantisme', aldus McDaniel. Sterker, nog nooit was de macht in Rusland zo langs lijnen van goed en kwaad gefundeerd geweest. Het zou zijn meest verwoestende vorm vinden in de meest manicheïstische denker die Rusland ooit heeft gekend: Jozef Stalin. De secretaris-generaal was zelf de eerste om toe te geven (op het partijcongres in 1930) dat zijn étatisme 'contradictoir' was ten opzichte van de marxistische teleologie dat de staat zou gaan verdwijnen. Maar dat was volgens Stalin nu eenmaal de 'dialectiek van het ware leven'. Met andere woorden, een rechtvaardiging voor het zwart-wit-denken dat hij in het decennium daarop nadrukkelijk in de praktijk zou brengen. Maar we zouden ons een rad voor ogen draaien, aldus McDaniel, als we zouden denken dat Stalin zich in de jaren dertig louter en alleen met terreur in het zadel hield. Ook op het 'enthousiasme' van de opwaarts marcherende jeugd kon hij bouwen. De 'rode terreur' - eerst tegen de zogenaamde rijke boeren (koelakken) en later tegen de bolsjewieken van het eerste uur - appelleerde aan het oude tsaristische idee dat de leider zo nu en dan de 'vijanden' uit zijn eigen hof moet vegen: terwille van de 'regering der waarheid'. In die zin was Stalin meer 'sjamaan dan marxist'.

McDaniel trekt een parallel tussen het bolsjewisme en de felheid waarmee de 'scheurmakers' in de orthodoxe kerk, die in de zeventiende eeuw het 'ware woord' van het patriarchaat ontkenden, werden bestreden. En hij laat een minder grote cesuur vallen tussen Stalin en Nikita Chroesjtsjov en zelfs Boris Jeltsin. Ook Chroesjtsjov exploiteerde het 'enthousiasme' voor de strijd tegen het 'kwaad'. Het was het 'enthousiasme' van de na-oorlogse culturele elite die later pas weer onder Michail Gorbatsjov aan bod zou komen. Jeltsin bouwt eveneens op 'enthousiasme'. Aanvankelijk was dat het 'enthousiasme' dat hij (anders dan Gorbatsjov) één van 'ons' was. Nu is het 'enthousiasme' van een nieuwe elite van radikale economen die zich - naar een woord van diens huidige rechterhand Anatoli Tsjoebais - chirurg wanen die een operatie zonder verdoving mogen doen. Geen toeval, deze medische metafoor.

Volgens McDaniel is niet alleen nagenoeg elk veranderingsproces in Rusland een variant op hetzelfde schema, ook de vele stabiliseringsprogramma's zijn eraan onderworpen. Als er, enigszins boud geformuleerd, analogieën te vinden zijn tussen Peter, Stalin en Jeltsin, dan zijn er ook overeenkomsten tussen Nikolaas II en Leonid Brezjnev. De parallellen zitten niet zozeer verscholen in de formele programma's van de respectievelijke leiders alswel in hun feitelijke ambities. Net als de laatste tsaar wilde Brezjnev de boel droog houden. Was Nikolaas II een ideologische conservatief in een progressieve samenleving, Brezjnev moest als communist vooruitstrevend doen maar trapte in de praktijk alleen op de rem. 'Al dat gedoe over communisme is een verhaaltje voor de volksconsumptie. We kunnen het volk toch niet zonder geloof achterlaten. De kerk is hem ontnomen, de tsaar is doodgeschoten. Daarvoor moest iets in de plaats komen. Laat het volk het communisme bouwen', wist Brezjnev. Zijn dictatuur werd daarom een dictatuur van de 'kaders'. Volgens sommigen was tegen het eind van zijn regime bijna een kwart van de bevolking op een of andere manier aan de partij gebonden, zoals de boeren voorheen aan het land. Het deed de toenmalige Georgische partijchef Edoeard Sjevardnadze in 1979 uitroepen: 'We waren een natie van strijders, we werden een natie van speculanten'.

Stagnatie was het gevolg - behalve in de literatuur die, zoals de filosoof Boris Paramonov in de bundel van Shalin beweert, juist in een patriarchale omgeving kan floreren - totdat de bom weer barstte ten gunste van Gorbatsjov. De 'man van de muur' was misschien wel de eerste 'westerling' in het Kremlin en stuitte alleen al daarom op de grenzen van de macht. Omdat hij werkelijk alles ter discussie stelde, en dus ook de 'waarheid', ontnam hij Rusland zijn laatste zekerheden.

Eurazianisme

De Russische idee werd wees. Er moest weer een vader gezocht worden. En die wordt nu langzamerhand gevonden: in een coalitie tussen nationalisme en socialisme. Het lijkt een onbegrijpelijke combinatie. Lang heeft het negentiende-eeuwse schisma tussen 'slavofielen' en 'westerlingen' ons beeld over de politieke tegenstellingen in Rusland beheerst. Alleen zo dachten wij de meningsverschillen tussen bijvoorbeeld de 'westerse' humanist Sacharov en de 'slavofiele' antipoliticus Solzjenitsyn te kunnen duiden. Maar deze dichotomie is te simpel gebleken. Ze refereert vooral aan Europese noties. In Rusland roepen nationalisme en socialisme ook andere associaties op: zoalsmenselijke heroïek en volkse gelijkheid. Het nationale en het sociale krijgt daar nu vorm in een stroming die zich 'Eurazianistisch' noemt. Die beweging, voor het eerst programmatisch verenigd ná de Oktober-revolutie, keerde zich indertijd weliswaar tegen de partij. Maar ze had nadrukkelijk oog voor de mogelijkheden die haar Aziatische despotisme bood als hefboom om Rusland op eigen en bovenal niet-Europese wijze te moderniseren, waarna de 'euraziatische ruimte' de geestelijke bevrijding van alle niet-Westerse volkeren ter hand zou kunnen nemen. De architecten van dit idee waren dissidenten als graaf Troebetskoj en later Lev Goemiljov (de zoon van Anna Achmatova). De uitvoerder zou je Stalin kunnen noemen.

Ten tijde van de perestrojka verdween de kracht van dit idee uit het zicht. Alle ogen waren westwaarts gericht. Maar nu is het Eurazianisme bezig aan een comeback, niet zozeer in een partij of beweging maar als onderstroom van een veel breder verlangen naar eigenheid én modernisering.

Deze herrijzenis verklaart waarom Jeltsin nog steeds niet als politicus aan de paal wordt genageld, zoals Gorbatsjov zes jaar geleden. Nee, Jeltsin staat als leider ter discussie, juist omdat hij het hedendaagse archetype van dit Russische idee is geworden. En dus staat hij meer dan ooit bloot aan concurrentie van die andere leider die de 'waarheid' ook in pacht heeft.