'Verhoor onder hypnose is onzin'; Rechtspsycholoog H.F.M. Crombag over de zaak Robin

De rechtbank van Breda staat toe dat Trudy J., verdacht van de moord op kleuter Robin, onder hypnose wordt verhoord. Rechtspsycholoog Crombag: “De gedachte dat hypnose het geheugen verbetert, blijkt onuitroeibaar.”

MAASTRICHT, 25 OKT. In zijn Maastrichtse werkkamer aan de Zwingelput leunt prof. dr. H.F.M. Crombag achterover als het onderwerp Trudy J. wordt aangesneden. “Joost mag weten wanneer je haar moet geloven”, zegt de hoogleraar rechtspsychologie. “Die vrouw heeft ontkend, bekend en vervolgens weer ontkend. Er is blijkbaar geen of onvoldoende bewijs dat zij de moord heeft begaan. De zaak zit vast. Nu vraagt de verdediger ineens aan de rechter om de verdachte onder hypnose te verhoren. De rechter staat dat toe; een bizarre beslissing vind ik.”

Crombag haast zich een toelichting te geven. “De rechter had ook kunnen zeggen dat hypnose tot niets kan leiden. Maar nu hij in een verhoor onder hypnose heeft toegestemd, wekt hij het vermoeden te geloven dat hypnose in de rechtszaal iets positiefs kan brengen.” Crombag, een autoriteit op het gebied van hypnose, trekt aan zijn sigaartje en schudt zijn hoofd. “Veel mensen denken dat deze vrouw wellicht onder hypnose alsnog bekent. Dat lijkt me onwaarschijnlijk, want in die toestand kun je héél goed liegen. Dat is aangetoond. Of de gehypnotiseerde verzint iets, te goeder trouw weliswaar.”

Zou Trudy J. onder hypnose bekennen, dan mag dat niet tegen haar worden gebruikt. Dit is het gevolg van een arrest van de Hoge Raad uit 1984. Dat bepaalt dat een onder hypnose verkregen getuigenverklaring uitsluitend kan dienen tot ontlasting van de verdachte en niet tot beschuldiging. Crombag: “De verdediger kan dus niks gebeuren. Hij speculeert er blijkbaar op dat deze vrouw onder hypnose ontkent. De rechter zal denken dat het logisch is dat ze in wakende toestand ontkent - anders wordt ze immers veroordeeld - maar dat ze onder hypnose niet kan liegen. Dat is kennelijk een onuitroeibaar misverstand, net zoals de gedachte dat hypnose het geheugen verbetert.”

Samen met hoogleraar functieleer H. Merckelbach schreef Crombag Hervonden herinneringen en andere misverstanden. In het boek behandelen zij een aantal therapeutische technieken, waarvan hypnose een van de belangrijkste is. Crombag refereert aan Freud, die zich aan het eind van de vorige eeuw al met hypnose bezighield. Freud dacht dat mensen sommige herinneringen in een apart compartiment, het onbewuste, opborgen. Zeker als het gruwelijke herinneringen zijn. Daar zou de mens niet zo maar bij kunnen, er zou een drempel liggen. Aanvankelijk hing Freud de gedachte aan dat die drempel wellicht met hypnose te overschrijden was. Hij zette dat idee vrij spoedig weer uit zijn hoofd; mede omdat hij ontdekt zou hebben dat gehypnotiseerde mensen confabuleren, dat ze allerlei dingen verzinnen.

Het was ook “een theorie, die nergens op sloeg”, zegt Crombag. “Maar hele, halve en vulgaire volgelingen van Freud bleven ermee doorgaan. Ze bleven in geheugens graven naar geheime, verborgen krochten. Ze riepen dat de herinnering onder hypnose beter wordt, of dat mensen onder hypnose niet zouden kunnen liegen. Die gedachte bleef voortdurend rondzingen. Je vindt haar nu nog terug in de populaire psychotherapeutische literatuur en vooral in de praktijk.”

Crombag vindt die theorieën van deze 'volgelingen' onjuist. Hij wijst op een studie van de psycholoog Clarke Hull uit 1933. Hull probeerde alles uit, tot en met manipuleren. Uiteindelijk schreef hij een boek met de slotsom: hypnose verbetert het geheugen niet. “Sindsdien hebben allerlei mensen die dat niet wilden geloven, nog een keer onderzoek gedaan. Het is een geliefd onderwerp. Op gezette tijden schreven zij overzichtsartikelen.” Zoals de Canadese Marylin Smith deed in 1983. Haar conclusie luidde hetzelfde als die van Clare Hull. “Maar haar slotsom in het beroemde tijdschrift Psychological Bulletin heeft de mythe dat hypnose het geheugen beter maakt niet uit de wereld geholpen. Nogmaals, die is onuitroeibaar”, aldus Crombag.

De hoogleraar rechtspsychologie meent dat in Nederland de mythe is versterkt door de insteling van de Werkgroep Forensische Hypnose in de jaren tachtig. De werkgroep werd opgericht door Heijboer, commissaris van de politie b.d. in Heerlen. Klinisch psycholoog Goltstein en hypnotherapeut O'Breen waren zijn medestanders. De werkgroep hield zich beschikbaar om in moeilijke gevallen, bijvoorbeeld als een recherche-onderzoek was vastgelopen, via hypnose informatie uit getuigen of verdachten te halen. “Heijboer was een ervaren politieman, maar het in het leven roepen van zijn werkgroep was een misser. Ze was immers op een misverstand gebaseerd.”

Crombag verwijt het ministerie van justitie dat de vergadering van procureurs-generaal officiële richtlijnen uitgaf voor het toepassen van hypnose bij verhoren van verdachten. “Terwijl het op niks gebaseerd is. Procureurs-generaal wekten daarmee de indruk dat hypnose af en toe nuttig kan zijn. De Hoge Raad deed in feite hetzelfde, met haar arrest uit 1984.”

De hoogleraar herinnert zich twee zaken, waarbij getuigen op verzoek van de politie onder hypnose verklaringen aflegden: de Maastrichtse carnavalsmoord (1993) en de moord op een Groningse studente (1994). “In beide gevallen heb ik de transcripties gelezen. De drie getuigen zeiden niet veel meer dan: 'ik weet het niet, ik kan me het niet herinneren'. Ook onder hypnose was hun informatie waardeloos.”

Crombag is benieuwd wat de zaak tegen Trudy J. in Breda, verdacht van de moord op kleuter Robin, zal opleveren. “Alleen een hypnotherapeut mag de vragen stellen, niemand anders mag er bij zijn. Het kan zijn dat de rechter door die quasi-deskundige, die de wetenschappelijke literatuur niet kent, op het verkeerde been wordt gezet. Dat zou spijtig zijn.”