Vak geschiedenis blijft op niveau

De Leidse historicus J.L Wesseling beschikt over een vaardige pen en zijn bijdragen in NRC Handelsblad zetten tot nadenken. Dat geldt ook voor zijn column in deze krant van 10 oktober over het geschiedenisonderwijs voor de vernieuwde bovenbouw van havo/VWO (tweede fase). Wesseling maakt zich zorgen over het geschiedenisonderwijs. Toch kan hij gerustgesteld worden.

De staatssecretaris van Onderwijs, mevrouw T. Netelenbos, heeft in juni het aantal geschiedenisuren in de profielen flink uitgebreid. Maatschappijleer is daar verdwenen. Daarnaast heeft zij mens -en maatschappijwetenschappen definitief geschrapt. In plaats daarvan krijgen leerlingen in het gemeenschappelijk deel geschiedenis en maatschappijleer. De geconsulteerde historici steunden de inhoud van de programma's - eerder had ook de Onderwijsraad positief geoordeeld - en toonden zich verheugd over de uitbreiding van de geschiedenisuren. Dat aantal is nu dus groter dan 'vroeger'.

Uitgangspunt van de examenprogramma's Geschiedenis en staatsinrichting is dat leerlingen actief historische kennis en inzicht verwerven aan de hand van benaderingswijzen en vaardigheden. Naast het chronologisch kunnen ordenen van historische gebeurtenissen, verschijnselen en processen, leren ze bijvoorbeeld om een onderscheid te maken tussen feiten, meningen en vooroordelen, dat niet alle beelden van het verleden even betrouwbaar zijn, enzovoorts.

De formele examenprogramma's bestaan uit eindtermen die in domeinen of themagebieden zijn geordend. Universitaire historici schrikken wel eens van het 'jargon'. Het gaat hier echter om richtlijnen, bedoeld voor docenten, examenmakers en schoolboekuitgevers in een enigszins geüniformeerde taal. Het probleem zit hem, zoals Wesseling terecht aangeeft, in de selectie van de leerstof. De nieuwe geschiedenisprogramma's zijn chronologisch-thematisch opgezet. De vrijheid van docenten wordt daardoor beperkt. Zo zijn ze voortaan verplicht om oudere tijdvakken en niet-westerse geschiedenis te behandelen, en mag de politiek-institutionele geschiedenis niet meer domineren.

De werkgroep auteurs van geschiedenisprogramma's heeft er steeds voor gepleit dat scholen binnen deze kaders vrijheid in het geschiedenisonderwijs behouden. Dit om te voorkomen dat de overheid in details vastlegt welke historische leerstof alle leerlingen moeten beheersen. Ik neem aan dat ook Wesseling deze vrijheid niet wil afnemen. Dat betekent dat de ene school het domein staats- en natievorming uitwerkt voor een thema in Nederland en de andere school voor de Verenigde Staten. In beide landen is de ontwikkeling van centrale gezagsstructuren te plaatsen in de context van modernisering.

De staatssecretaris heeft aangekondigd een brede commissie in te stellen die het hele aanbod van het geschiedenisonderwijs vanaf de basisschool gaat bestuderen. Dit is een goed plan. Het is immers van belang dat alle leerlingen in een vroeg stadium historische kennis en inzicht opdoen, zodat er ook een goede aansluiting kan plaatsvinden met universitaire opleidingen. Het is in dit licht wat vreemd dat de VSNU aan beginnende geschiedenisstudenten geen speciale vooropleidingseisen stelt. Ook leerlingen met een bètaprofiel kunnen geschiedenis studeren. Bezorgdheid over het universitaire geschiedenisonderwijs lijkt misschien meer op zijn plaats.