U wilt kunnen dromen

Marina Tsvetajeva: Levend over levend. Uitg. De Bezige Bij, 141 blz. Prijs ƒ 29,90

De herfst is een lang gerekt afscheid, elke dag een stukje meer, om uiteindelijk bij de kaalheid van de winter uit te komen. Zoals het voorjaar een lange begroeting is, om bij de volheid van de zomer uit te komen. Het is niet voor niets dat de herfst altijd met melancholie en weemoed verbonden wordt (al kan het voorjaar met zijn optimistische helle kleuren de mens ook behoorlijk weemoedig en zelfs moedeloos stemmen).

De herfst lijkt bij uitstek geschikt voor herinneringen, bij afscheid hoort immers terugkijken, terugverlangen eventueel ook.

“Als u van iemand houdt, dan wilt u altijd dat hij weggaat, om over hem te kunnen dromen. Liefst ver weg, zodat u lang kunt dromen.” Dat zei de dichter Max Volosjin in 1910 tegen de nog piepjonge dichteres Marina Tsvetajeva. Ze schrijft die uitspraak op als ze zich zijn eerste bezoek, en zijn eerste afscheid, herinnert in haar prachtige Levend over levend:

“De lege hal, het kraken van de voordeur, het kraken van de vlonder onder zijn voetstappen, het hek...

Als u van iemand houdt, dan wilt u altijd dat hij weggaat, om over hem te kunnen dromen.'

Tsvetajeva hield van Volosjin en op het moment dat ze zijn woorden opschrijft en ze ook nog eens herhaalt is hij heel ver weg, dood, gestorven in zijn huis in Koktebel op de Krim terwijl zij ontheemd in Parijs zit. Het is 1932.

Tsvetajeva is dan veertig, maar toch, door de omstandigheden, al een beetje in de herfst van haar eigen leven. In dit stuk neemt ze afscheid, van Volosjin, de enorme, beerachtige, oudere vriend die ze vereerde, en van haar jeugd waaruit ze zo definitief verdreven is. Het land van haar jeugd bestaat niet meer, ze is afgesneden van de daarbij behorende mensen doordat die hele wereld met alles, met alle gedichten, alle bijeenkomsten, alle vriendschap, alle vertrouwdheid, alle inspiratie, met alles en alles - je kunt eigenlijk niet genoeg dingen opnoemen om jezelf te laten voelen hoe verdwenen die wereld is - omvergeworpen is en onherstelbaar verwoest in 1917 en de jaren die daarop volgden.

Ieders jeugd is weg en onherhaalbaar, in de straten van toen wonen andere mensen, de geuren en gewoontes zijn weg, vrienden zijn uit het zicht geraakt, ooit vanzelfsprekende gebaren hebben geen doel meer - we weten allemaal wel wat het betekent om ergens uit verdwenen te zijn. Toch weten sommigen dat heel veel meer dan anderen en voor degenen die, als Tsvetajeva, als alle vluchtelingen en ontheemden, hun leven niet konden voortzetten zoals het was begonnen maar die een breuk hebben moeten meemaken, is de wereld van hun jeugd nog oneindig veel betoverder geraakt dan voor degenen die er geleidelijk uit weg dreven.

Daar heeft het misschien ook mee te maken dat dat boekje van Tsvetajeva, een paar maanden geleden bij de Bezige Bij verschenen, van zo'n stralende herfstigheid is. Alles erin is voorbij, en heeft de glans gekregen van een droom en de sterkte van een leven. Want er bestaat geen twijfel aan dat Tsvetajeva leefde in die jaren, op volle kracht, met een hartstocht waarop wie haar woorden leest alleen maar jaloers kan zijn.

Ongetwijfeld is het allemaal niet echt waar, Tsvetajeva stond bekend om haar vermogen gebeurtenissen om te liegen tot hartveroverende anekdotes - 'welriekende legenden' schreef Anna Achmatova - maar tegelijk is het wel waar. Want wie zo schrijft als zij doet, die schrijft altijd de waarheid, de andere waarheid, die van het hart. En het hart maakt het mogelijk dat er iemand bestaan zou hebben als Max Volosjin, zo zonderling en zo vanzelfsprekend tegelijk, een man van veel hevige vriendschappen die niet wist te kiezen tussen de een en de ander en dat ook zeer beslist niet wilde. “Geen mens heeft zich ooit tegen de zon gekeerd omdat die ook voor de ander schijnt”, schrijft Tsvetajeva over hem en dat laat wel zien hoe mythisch Volosjin in haar herinneringen is geworden. En hoe voorbij het allemaal is, want eigenlijk alleen in de terugblik kan iemand zo'n enorm licht en zoveel warmte afgeven. Pas als een wereld verloren is wordt hij zo zichtbaar als de wereld van Max Volosjin voor Marina Tsvetajeva werd.

Volosjin was, volgens Irina Grivnina die het boekje van een voor- en een nawoord voorzag, geen bijzonder grote dichter, althans niet vergeleken met de verbluffende talenten uit zijn tijd - Osip Mandelstam, Boris Pasternak, Achmatova, Tsvetajeva. Maar dat doet er helemaal niet toe, voor wie deze herinneringen leest aan een man die was als een bol: 'de bol van het middaguur, de bol van onze planeet, de bol die hij was wanneer hij als een bol wegsprong van de aarde (zijn manier van lopen) en van zijn gesprekspartner, om dan weer in diens handen terug te keren, de bol van zijn bolle buik, en de bliksem die op momenten van toorn uit zijn witte ogen schoot was, heb ik zelf gezien, een bolbliksem'. Volosjin bestaat niet meer, Tsvetajeva bestaat niet meer, hun tijd bestaat niet meer - maar dit boekje bestaat wel, en het is pijnlijk mooi. Als de herfst.