Sociaal-economisch vijfpuntenplan voor een tweede paars kabinet; Minister Ad Melkert: Ik ben nog lang niet uitgeregeerd

Voor Ad Melkert, nu twee jaar minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is één regeerperiode niet genoeg. Het regeerakkoord van dit kabinet reikt verder dan vier jaar. Continuïteit is geboden. Je niet laten afleiden van de grote lijn die loopt tot na het jaar 2000 is de opdracht die hij zichzelf heeft gesteld. “We moeten ons niet door allerlei hobby's als lage tabaks- en benzineprijzen van de wijs laten brengen.” Melkert presenteert zijn vijf-puntenplan voor het tweede paarse kabinet.

Na twee jaar paars lijken de eersteonthechtingsverschijnselen zich voor te doen. VVD-leider Bolkestein pleitte onlangs voor afschaffing van het hoogste belastingtarief. Financieel woordvoerder Hans Hoogervorst van diezelfde VVD keerde zich fel tegen aangekondigde verhogingen van benzine- en tabaksaccijnzen. En PvdA-fractievoorzitter Wallage hekelde het VVD-standpunt over asielzoekers. Als er nu verkiezingen zouden worden gehouden, komt de VVD volgens opiniepeilingen als grootste partij uit de bus.

Ad Melkert, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, noemt de profileringsdrang van de VVD “rimpelingen in een oceaan”. “Het gaat om de grote lijn”, zegt hij in zijn werkkamer op het ministerie. Het is 11 uur in de avond, alle ambtenaren zijn naar huis. En de bedachtzaam formulerende Melkert heeft na veel koffie een pilsje genomen. Zijn toon wordt losser.

“Ik bekijk alles liever vanuit de kracht van de PvdA, dan vanuit de veronderstelde zwakte of de inbreng van andere partijen”, zegt hij. “Toen wij in 1989 in de regering kwamen zijn we meteen begonnen met een mengvorm van geordende marktwerking en een activerende overheid. We hebben nog voldoende kracht om die lijn door te zetten.”

Het CDA positioneerde zich steevast in het midden. De ene keer werd er met de VVD geregeerd, de andere keer met de PvdA. Gaat de PvdA die rol nu overnemen? Zal de VVD bij de volgende kabinetsformatie worden ingewisseld voor het CDA?

Melkert: “Ik houd niet van vrijblijvendheid. De betekenis van het regeerakkoord dat wij in 1994 met de VVD en D66 hebben afgesloten reikt verder dan een periode van vier jaar. De veranderingen die wij op sociaal-economisch terrein willen doorvoeren vergen continuïteit. Puur politiek geduide meningsverschillen en wisselingen in de macht kunnen leiden tot onzekerheid, onvoorspelbaarheid en onbestendigheid. En dat kan ten koste gaan van het meer dan gemiddeld presteren van de Nederlandse economie. Die goede prestatie heeft namelijk alles te maken met consistente uitvoering van beleidskeuzen en de continuïteit van de actoren die daarbij een rol spelen.”

U regeert in 1998 dus door met de VVD? Ondanks dat de VVD zich weinig aantrekt van gemaakte afspraken. Bolkestein en andere leden van de Tweede-Kamerfractie van de VVD laten geen gelegenheid voorbij gaan om zich te profileren ten koste van de beide coalitiepartners.“We moeten ons niet door allerlei hobby's als lage tabaks- en benzineprijzen van de wijs laten brengen. Het gaat om het vasthouden van de grote lijn. We maken goede vorderingen en het zou jammer zijn als we die in de waagschaal legden. Maar dat doen we niet. Ook de VVD niet.”

Gaat u zelf door in 1998 als minister van Sociale Zaken?

Melkert zucht. “De verantwoordelijkheid die ik nu draag, dat is in elk geval een verantwoordelijkheid die verder gedragen moet worden.Want we zijn nog lang niet klaar met de processen die we in beweging hebben gezet. Ik zou de laatste zijn om het verder dragen van die verantwoordelijkheid aan mij voorbij te mogen laten gaan.”

Minister Ad Melkert (40) is het politieke gezicht van de PvdA in het kabinet-Kok. Waar Kok als premier boven de partijen moet staan, kan Melkert het bekende PvdA-geluid laten doorklinken: bestrijding van de werkloosheid en van al te grote inkomensverschillen. Wat dat betreft is er nog genoeg te doen. “Ik ben nog niet uitgeregeerd”, zegt Melkert dan ook. “Het is van groot belang om een aantal jaren achtereen hetzelfde soort beleid te voeren als het gaat om economie en arbeidsmarkt. Aan hap-snap keuzes heb je niets.

“We zijn er nog lang niet. We kunnen niet op onze lauweren gaan rusten, omdat er geen lauweren zijn. De aardige neerwaartse trend die we te pakken hadden bij de werkloosheid zet nog onvoldoende door. Als ik bovendien kijk naar de structuur van die werkloosheid en het schrale inkomensbeeld, zeker voor de mensen die afhankelijk zijn van overheidsmaatregelen, dan vervult mij dat met zorg.”

Aanvankelijk voelt Melkert er niets voor om als pendant voor Wijers' zespunten Plan voor meer Groei (NRC Handelsblad, 4 mei 1996) een Plan voor meer banen te maken. Maar na enig aandringen formuleert hij toch vijf belangrijke punten ter stimulering van de werkgelegenheid die niet boven- of onder-, maar nevengeschikt zijn:

1. Afschaffing werkgeverslasten op en net boven het mininimumloon.

Vandaag verscheen het rapport 'Het onderste kwart' van het Sociaal Cultureel Planbureau over werk en werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daaruit blijkt dat afschaffing van loonbelasting en sociale premies op en net boven het minimumloon leidt tot een groei van de werkgelegenheid met 132.000 personen. Een week eerder rekende het Economisch Instituut Tilburg uit dat een forse verlaging van de werkgeverslasten bij laagbetaald werk 50.000 extra banen oplevert.

Melkert: “Uit beide onderzoeken blijkt dat bruto loonkostenverlaging verreweg het beste scoort in termen van extra banen. Gelukkig heeft het kabinet deze door velen vermaledijde weg gekozen. Het is zaak om dat in 1995 ingezette beleid door te voeren. Werkgevers krijgen niet langer te maken met tijdelijke maatregelen, zoals de afgelopen tien jaar, maar met een structureel andere lastenstructuur. De komende jaren zullen de lasten verder moeten worden afgebouwd, waarbij naar een glijdende schaal toegewerkt wordt. Dat betekent nul werkgeverslasten op het niveau van het minimumloon en een aflopend loonkostenvoordeel tussen 100 en 130 procent van het minimumloon. Deze afbouw van werkgeverslasten kan door het volgende kabinet worden gecompleteerd.”

De in het regeerakkoord afgesproken mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van de Wet Minimumloon laat op zich wachten. Melkert heeft hierover een meningsverschil met een Kamermeerderheid van VVD, D66 en CDA. Die willen dat kostwinners tijdelijk gedwongen kunnen worden om voor maximaal 30 procent onder het minimumloon te werken. Voor een aanvulling tot het niveau van het minimumloon zouden ze zich dan moeten vervoegen bij de sociale dienst voor een bijstandsuitkering. Melkert voelt daar niets voor. “Ik ben niet van de afdeling die zegt dat je als beloning voor werk ook nog langs het bijstandsloket moet. Werk dient een minimaal volwaardige beloning op te leveren. Het beleid is er juist op gericht om mensen van dat bijstandsloket weg te halen.”

2. Via uitvoeringsorganisatie grotere uitstroom uit WAO, WW en bijstand.

“In de jaren tachtig waren we gefixeerd op uitkeringsniveaus. Door lagere uitkeringen moest het beroep op uitkeringen afnemen. Deze benadering hebben wij ingeruild voor een meer organisatorische. De uitvoeringsorganisaties moeten zich instellen op het kenmerk van de sociale zekerheid na het jaar 2000 waarbij ze met hun cliënten een contract afsluiten, net zoals een arbeidscontract voor mensen die wel werk hebben. We hebben het dan over een contract met een tijdelijk karakter dat een permanent en anoniem verblijf in de uitkering moet voorkomen. We moeten dus de anonimisering van de sociale zekerheid doorbreken.

“Ook hier wacht ons nog een enorme slag. Veel mensen blijken kwalitatieve aansluitingsproblemen te hebben. Het blijkt moeilijk om kandidaten te vinden voor de eenvoudige banen die wij zelf in de collectieve sector creëren. Dat beschouw ik als pure winst. We beginnen ons te realiseren hoe de kaartenbakken van de bijstand erbij liggen. Dat is niet om vrolijk van te worden. Maar waar sprake is van gerichte inspanningen om mensen aan het werk te helpen zie je soms spectaculaire resultaten. Ik was deze week in Nijmegen, waar in een paar jaar tijd het aantal bijstandsgerechtigden is gedaald van 16.000 tot 12.000. Voor een stad als Nijmegen is dat spectaculair. Het ging hier niet alleen om Melkertbanen, maar ook om banen voor hoogopgeleiden, die tot stand kwamen na een succesvolle samenwerking met het bedrijfsleven.”

3. Meer verloffaciliteiten voor opleiding en zorg.

“In de carrières van werknemers is te weinig ruimte ingebouwd om gericht educatief verlof op te nemen. Ik heb het dan niet over een paar dagen eruit voor een congresje of symposiumpje, maar over gerichte vergroting van kwalificaties. Daarvoor zou je kunnen sparen uit de loonruimte. Er zouden ook wettelijke faciliteiten voor kunnen worden gecreëerd. Als we hierop voortborduren kan de kwaliteit en daarmee de produktiviteit van de werknemers in de volgende eeuw enorm verhoogd worden. Daarvan ben ik overtuigd. Tot nu toe ging het bij arbeidsduurverkorting vooral om kortere werkweken. Door educatief verlof zouden we de arbeidsduur over de hele loopbaan kunnen verkorten en meteen de kwaliteit van de arbeid verbeteren. Ook de combinatie van arbeid en zorg kan hiermee worden ondersteund.

“De tijd van vrijblijvendheid is ook hier voorbij. Werkgevers en werknemers moeten niet alleen doorverwijzen naar het CAO-overleg. Daar is het toch vaak het sluitstuk van de discussie, als de afspraken over het harde loon in het zakje zijn gemaakt.”

4. Tijdelijke werktijdverkorting voor bedrijven gecompenseerd vanuit de WW.

Op het ministerie is een studie gemaakt van de wijze waarop in de Verenigde Staten te betalen WW-premies zijn gerelateerd aan de in het verleden gemaakte uitkeringsuitgaven. Door werkgevers te straffen die veel mensen ontslaan, worden ondernemers geprikkeld om zoveel mogelijk personeel in dienst te houden. In Duitsland wordt gepoogd hetzelfde doel op een andere wijze te bereiken. Bedrijven kunnen bij tijdelijk inzakkende vraag naar goederen en diensten en ook bij ingrijpende reorganisaties een vergunning aanvragen om de werktijd te verkorten. Deze wordt voor zes maanden verleend, met de mogelijkheid van verlenging tot in bijzondere gevallen twee of zelfs drie jaar. Het inkomensverlies wordt aangevuld met WW-geld.

Gemiddeld werd de afgelopen tien jaar 12 procent van de WW-uitgaven in Duitsland op deze wijze aangewend, in Nederland nog niet één procent. Melkert: “Dit is een andere manier om werkgevers te prikkelen minder werknemers te ontslaan. Wij kennen die mogelijkheid ook, maar alleen voor bijzondere omstandigheden. In Duitsland zijn de mogelijkheden veel ruimer. Ik vind het de moeite waard om ook dit instrument in het onderzoek naar een meer doeltreffende WW te betrekken. Het is een buffer voor de korte termijn.” Door zich zowel door het Amerikaanse als het Duitse model te laten inspireren hoopt Melkert een eigen op Nederland toegesneden variant te ontwikkelen.

5. Melkertbanen om uitkeringsgerechtigden arbeidsplicht op te leggen.

“Zonder uitstroommogelijkheden, zonder werk, staan de sociale diensten schaakmat. Zij zullen uitkeringsgerechtigden toch ergens naar toe moeten begeleiden.Je moet iets kunnen aanbieden zodat je ook streng kunt zijn over de arbeidsplicht.”

Zonder banen is arbeidsplicht voor uitkeringsgerechtigden onmogelijk, met het risico dat te veel mensen te lang in de uitkeringscircuits blijven hangen. Een bezoek aan een Antilliaans jongerencentrum heeft Melkert overtuigd van het nut van de naar hem genoemde Melkertbanen. “Je moet voor zo'n jongere, die er zeer Antilliaans uitziet en slecht Nederlands spreekt, eerst een half jaar een inspanning doen om hem geschikt te maken voor een Melkertbaan. Voor een werkgever is hij niet bepaald de gedoodverfde kandidaat voor een baan, dus hij moet op een andere manier naar de arbeidsmarkt worden geleid. Het alternatief is kristalhelder: een terugval naar de rand van de samenleving en als het tegenzit in de criminaliteit.”

Uitbreiding van het aantal Melkertbanen bepleit hij (nog) niet. “Eerst maar eens de geplande banen realiseren. Dat is al een gigantische taak.” De minister heeft zich even verzet tegen de benaming Melkertbaan. “Maar dat was roeien tegen de stroom op”, zegt hij. Nu noemt hij ze zelf ook zo. Wordt het daardoor geen prestigeproject? “Waarom”, vraagt Melkert. “Het enige voordeel van de naam is dat men mij uitnodigt om me te verdedigen als men kritiek op de banen heeft. Tot mijn laatste snik zal ik blijven uitleggen dat waar de markt faalt de gemeenschap haar verantwoordelijkheid moet nemen.”