Ploeterend ten onder

Paul Kemp: Underwater Warriors, Arms & Armour Press, 256 blz. ƒ 55,05

In de nacht van dinsdag 17 september zag een Zuid-Koreaanse taxi-chauffeur langs de bochtige kustweg bij de havenplaats Kangnung een paar kortgeknipte mannen in de berm zitten. Toen hij, nieuwsgierig geworden, omkeerde, waren ze weg. In de branding deinde een groot, donker voorwerp.

Dat het om een aangespoelde mini-onderzeeër met Noord-Koreaanse infiltranten ging, was groot nieuws. Wat was dit voor obscuur apparaat 'naar Joegoslavisch ontwerp', dat meer leek thuis te horen in een tekenfilm?

Bij nader inzien is het bootje helemaal niet zo'n maritiem Fremdkörper. Het is het nieuwste voortbrengsel van een oude techniek, die in de Tweede Wereldoorlog door alle partijen werd toegepast, overigens ook in de Nederlandse wateren. Underwater Warriors vertelt de wordingsgeschiedenis van de mini-onderzeeboot en beschrijft alle operaties tot in detail.

Het eerste onderwatervaartuig was eigenlijk al een mini-onderzeeboot volgens de huidige definitie. In de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog kwam David Bushnell tot het inzicht dat de Britse oorlogsschepen alleen onder water ongezien te benaderen waren. Hij bouwde een soort luchtdichte onderwaterfiets, de Turtle, die met behulp van een gewicht beneden de zeespiegel bleef - er was voor een half uurtje lucht aan boord. Het apparaat, de Turtle, moest tot onder de vijandelijke, houten fregatbodems glippen, waarna de bestuurder met een handboor een gat in de romp moest maken en daarin een springlading buskruit met tijdontsteking bevestigen. Bij de eerste poging bleek de onderkant van een Britse oorlogsbodem echter met koperen platen te zijn beslagen, tegen de houtworm. Boren bleek vergeefs. Ook volgende pogingen liepen op niets uit.

De meeste operaties met mini-onderzeeboten hebben veel gemeen met deze eerste mislukte missie. In de Eerste Wereldoorlog deden Russen en Italianen verwoede pogingen om de deugdelijkheid van het concept te bewijzen, maar alleen de Italianen wisten in 1918 een schip van Oostenrijk-Hongarije tot zinken te brengen - nauwelijks anderhalve week voor de wapenstilstand. In de Tweede Wereldoorlog waren het ook de Italianen die een eerste succes boekten. In september 1941 brachten ze in de haven van Gibraltar twee vrachtschepen en een tanker tot zinken. De verhouding tussen de getrooste moeite en het resultaat lag intussen volledig scheef. De Italiaanse marine moest de ingezette onderwaterbrommers namelijk per gewone onderzeeër naar het doelgebied brengen, terwijl deze moederschepen op andere fronten waarschijnlijk veel meer schepen tot zinken hadden kunnen brengen.

Ook de Japanners zetten mini-onderzeeërs in, bij de aanval op Pearl Harbour op 7 december 1941 en later in de oorlog - eveneens zonder succes. De Britten bouwden hun eigen duikbrommers en hadden daarmee enig succes, evenals met de iets grotere X-craft, waarmee het Duitse slagschip Tirpitz in een Noorse fjord zwaar werd beschadigd. De Duitsers, wier U-boote te groot waren om door de mazen van geallieerde marine-netten te slippen, bouwden ze in verschillende soorten en maten, met één belangrijke overeenkomst: een geringe kans om van een missie terug te keren. In het laatste oorlogsjaar waren veel van deze bootjes in de monding van de Schelde actief. Ook hier was het een komen en vergaan. De Bibers, Negers, Molche en Seehunde werden vanaf de kust, vanuit vliegtuigen of door de kanons van fregatten tot zinken gebracht.

Hoewel die Noordkoreaanse onderzeeër kennelijk nog ongemerkt de kustwateren van Zuid-Korea kon binnensluipen, bevestigt het stranden van de boot de teneur van dit soepel geschreven, anekdotische militaria-boek: de mini-onderzeeboot heeft als wapensysteem amper bestaansrecht.