Orakeltaal als poëtische gevangenis

C.O. Jellema: Spolia. Querido. 63 blz. ƒ 29,90

C.O. Jellema is een een verzenmaker die het tijdloze boven het tijdelijke verkiest. De waan van alledag is voor hem geen onderwerp. “'t Was mij het liefst dat er geen ding bestond,” begint hij een sonnet, “dan als bedenksel, zo één met mijn geest, / deze weer in zijn oorsprong deel geweest / van een ondenkbaar ongegronde grond.”

Met andere woorden: niet de dingen zijn het bezinnen waard, maar wat eraan ten grondslag ligt - dat wat zowel onszelf als de dingen om ons heen bezielt. Het onzegbare dus.

De paradox van het dichterschap is dat er woorden, erg veel woorden nodig zijn om dit onzegbare zichtbaar (of hoorbaar) te maken. Jellema vindt die woorden in het werk van virtuoze voorgangers als August von Platen (1796-1835), bij de aanblik van een schilderij van Titiaan of Bellini, in heiligenlevens, of in zijn huiselijke omgeving op het Groninger platteland. Daar, op eigen grond, is hij wat mij betreft het toegankelijkst. Dan neemt hij zijn lezers bij de hand, zoals in het door H.N. Werkman geïnspireerde gedicht 'De verborgen wegen zijn het mooist':

De wegen waarlangs de gedachten komen

met het beeld dat je draagt van jezelf in de dingen

de wegen waarlangs het herinnerde opdaagt

waarlangs je herkent wie er niet meer zijn;

[...]

kijk, mooi hoe een weg in zijn bocht wordt verborgen

dan ruik in de berm van vers maaigras de geur.

Maar niet altijd is het werk van Jellema zo toegankelijk. Vaker waan je je als lezer in een pythisch universum waarin geen onderscheid bestaat tussen orakeltaal en poëzie. Dat gebeurt vooral wanneer het corset van de vorm de dichter verleidt tot inversie of elliptisch taalgebruik. Dan wordt poëzielezen in de eerste plaats zinsontleden, en dat vraagt erg veel tijd en inzet. Het verbaast mij trouwens dat een dichter die zo tastend formuleert als Jellema, zo'n uitgesproken voorkeur toont voor de dwingendste van alle vormen, het sonnet. In het daardoor ontstane spanningsveld sneuvelen veel goede bedoelingen.

Ook in Jellema's nieuwe dichtbundel Spolia blijkt het klankdicht echter zijn favoriet. Blijkbaar kan hij zich in het sonnet, hoe tastend en aarzelend ook, het persoonlijkste uiten. Vooral in de cycli 'Zelfportret' en 'Vanuit een geur' doet hij dat. Maar net zoals Komrij in diens vroege gedichten, kiest Jellema als het echt over hemzelf gaat voor de tweede persoon. 'Je droomt je thuis' schrijft hij dan, en in een volgend vers: 'Je draait je om en ziet het kind vertrekken.'

Zoals in zijn vorige bundels, is Jellema's poëzie in Spolia soms erg cerebraal. Dan is de dichter vastgelopen in zijn zoektocht naar bezieling. Heel zelden immers lukt het om de ziel der dingen los te zingen uit de taal. Maar juist over dat onvermogen gaat een van de betere gedichten uit Spolia, 'Zo'n hert bijvoorbeeld (bij een schilderij van Ruud de Roode)':

Toen hij zich van de wand waaraan hij hing

met huid en hoeven en verwelkt gewei

al was de noodzaak van zijn dood voorbij

langzaam had losgemaakt, herinnering

aan wie hij was weer vlees werd, draafde hij

de woorden uit, de taal die hem eens ving

uit springend, met zijn spierkracht kruisiging verloochenend

zo sprakeloos, zo vrij.

Maar wij, altijd gevangen in verhaal

belijden schoonheid aan een slanke hals

en ziel aan wat naar waterstroom verlangt:

altijd onszelf verbeeldend in een zaal

op zoek naar zin - het schilderij zoals

enkel een mens zich aan een droom verhangt.