Nominaties voor de Booker-prijs; Zes strohalmen in het donker

Margaret Atwood: Alias Grace. Bloomsbury, ƒ 55,05 (geb)

Beryl Bainbridge: Every Man for Himself, Duckworth, ƒ 48,55 (geb)

Seamus Deane: Reading in the Dark. Jonathan Cape, ƒ 43,35 (geb)

Shena Mackay: The Orchard on Fire. Minerva, ƒ 23,95

Rohinton Mistry: A Fine Balance. Faber and Faber, ƒ 21,95

Graham Swift: Last Orders. Picador, ƒ 20,50

Niet hier, niet nu: alle zes romans die dit jaar zijn genomineerd voor de Booker Prize spelen zich af in het verleden. Heel precies gedateerd zijn ze zelfs, de personages worden van alle kanten omringd door historische feiten; het jaar van de kroning van koningin Elizabeth (1956), de vooravond van de Amerikaanse burgeroorlog (1859), de benauwde periode waarin de Indiase premier Indira Gandhi de noodtoestand in India had afgekondigd (1975), het Engeland van Margaret Thatcher (1989). En dan is er nog 1912, het jaar waarin de Titanic zonk.

Het zal te maken hebben met de smaak van de jury, maar het wijst ook op een zekere angstvalligheid die veel Britse schrijvers voelen jegens het heden. Liever een nis voor je personages gevonden in het monumentale bouwwerk van de geschiedenis, dan een plaats voor ze gezocht temidden van de stormen die op dit moment om onze oren razen. Het heden, ons heden, blijkt onmogelijk te overzien; veel schrijvers die het wagen te betreden, komen terug met hetzelfde verhaal van angst en vervreemding, lukraak geweld en een overweldigend gevoel van betekenisloosheid. De genomineerde schrijvers - alleen Brits in de allerruimste betekenis van het woord, dat wil zeggen: drie Engelsen, een Canadees, een Indiër en een Ier - zijn juist op zoek naar betekenis. Stuk voor stuk pogen ze hun personages in een moreel kader te plaatsen, hoezeer ze ook beseffen hoe moeilijk dat is.

Reading in the Dark heet het boek van Seamus Deane, en die titel had op het omslag van alle zes boeken kunnen staan. De personages in deze romans gaan hun weg in het donker, zoekend naar aanwijzingen, zich manmoedig of radeloos vastklampend aan strohalmen. De buitenwereld is raadselachtig en bedreigend en soms verpletterend. Maar ook de eigen geest blijkt een mijnenveld. Goede bedoelingen worden verraden, door de anderen of door ongrijpbare impulsen van binnenuit. En steeds weer lopen deze mannen en vrouwen hardhandig tegen de grote vragen op, die een antwoord eisen: wat is waarheid, wat is een leven, wat is geluk, wat is goed en wat kwaad?

Natuurlijk wil dat niet zeggen dat de inzet van al deze boeken even hoog is, of hun resonans bij de lezer in alle gevallen net zo groot als de vragen die worden gesteld. Auteurs die het moderne leven in hun boeken proberen te betrappen mogen al te vaak vervallen tot hysterisch effectbejag en berekenend cynisme over zoveel ontworteld gevoel, schrijvers die hun personages bewust isoleren van het hier en nu, vooral Engelse romanciers, zwemmen meestal onbedoeld een andere fuik in: die van het genrestukje. Hun neiging om personages stevig te wortelen in een herkenbare historische en culturele context, geeft deze romans soms iets van pastiches, voorspelbaar amusant en dodelijk gezellig. Alles staat keurig, net iets te keurig, op zijn plaats. En de grote vragen die de schrijvers willen stellen, over leven en dood, schuld en verantwoordelijkheid, blijken onderdeel van een spelletje Triviant.

Dat gaat op voor The Orchard on Fire van Shena Mackay, een slim geschreven, kleine roman over een klein meisje dat haar onschuld verliest in de grote boze wereld van het Engeland in de jaren vijftig. Eigenlijk alles in dit boek komt je bekend voor, de hartsvriendschap met het wilde vriendinnetje, de verkrampte geiligheid van de vieze oude man uit het dorp, de verleidelijke gevaren van seks en wellust, de herfstbladerennostalgie om de verloren kinderjaren. Bovendien schrijft Mackay als een Engelse gastvrouw die vastbesloten is dat bij haar niemand zich zal vervelen - snel en snappy, grappig om grappig te zijn en op het juiste moment met gepaste weemoed.

De Ier Seamus Deane schrijft niet alleen beter dan Mackay, hij heeft ook meer te vertellen. Reading in the Dark beschrijft een jeugd in het Noord-Ierland van de late jaren veertig, de vroege jaren vijftig. In kleine, bijna op zichzelf staande tableaux schildert hij een wereld waarin bewustwording gelijk staat aan verscheurdheid en desintegratie; de sprookjesachtige verbeelding van het kind maakt langzaam maar zeker plaats voor een intens tragische werkelijkheid. De politieke situatie in Noord-Ierland blijkt een duistere weerspiegeling van de achtergrond van de verteller; het gezin waarin hij opgroeit, verkeert in de greep van pijnlijke geheimen van verraad en bedrog en misverstand. Reading in the Dark is een mooi miniatuur; het terrein waarop Deane zich begeeft is klein en vertrouwd, maar zijn precieze, gedempte zinnen ademen de geest van de authentieke ervaring.

Ik zou willen dat ik hetzelfde kon zeggen over de gedoodverfde winnaar, Last Orders van Graham Swift. Alles aan deze roman is herkenbaar goed, en toch lukt het me maar niet het ook een goede roman te vinden. Heel bewust heeft Swift gekozen voor een genrestukje dat Engelser dan Engels is: vier onvervalste Cockneys, drie bejaard, een op de grens van middelbaar, ondernemen vanuit Londen een dwaas tochtje om de as van de slager Jack Dodds te verstrooien vanaf de pier van Margate. In al het kleine, volkse Engelse leven laat Swift behendig het grootse doorschemeren. Het spontane, alledaagse gebabbel van de verschillende personages - over paardenrennen, de autohandel, de slagers- en het doodgraversvak, over vriendschap en bedrog en plichtsgevoel - leidt tot universele kwesties: wat houdt het idee van gemeenschap in, wat zijn de levenden de doden verschuldigd? Het grote belang van het kleine gebaar, dat lijkt Swifts thema te zijn, de verborgen continuïteit in onze fragiele, hopeloos banale, nietszeggende levens.

Maar Last Orders gaat over deze dingen. Je ziet te goed hoe Swift zijn oh-zo natuurlijke en gewone personages manipuleert en voor zijn karretje spant. Lenny, Vince, Vic en Ray dolen in het donker, maar tegelijk heb je geen moment het gevoel dat ze afwijken van de route die hun auteur voor hen heeft uitgestippeld. Het zijn warmbloedige pelgrims, maar ze hebben de ziel van een marionet. Het resultaat is een sjiek soort sentimentaliteit, een subtiele vorm van literaire kitsch.

Ook de levens van de personages in Rohinton Mistry's A Fine Balance zijn uiterst breekbaar, maar de werkelijkheid waarin zij leven is dan ook vol van realistische wreedheid en verschrikkingen. De bijna onmogelijke kunst om overeind te blijven, daar gaat deze roman over. Het is een boek zoals alleen Indiase schrijvers ze nog lijken te schrijven: een negentiende-eeuws panorama, waarin bijna de hele Indiase maatschappij geschilderd wordt. Zoals uit zijn eerder genomineerde roman Such a Long Journey al bleek, beschikt Mistry over een vertellerstalent van Dickensiaanse allure. In A Fine Balance sleurt hij de lezer met een verbluffend vaste hand door een ruim zeshonderd bladzijden durende wervelwind van verhalen en gebeurtenissen, die rondom het wankele huishouden van de weduwe Dina Lalal in Bombay raast. De ellende komt vooral van buitenaf; zijn personages zoeken moeizaam hun weg temidden van persoonlijke vernedering en maatschappelijke onderdrukking, armoede en lukrake rampspoed. Net als Swift is Mistry's thema de weerbarstigheid van kleine mensen in een vijandige wereld - maar ze bewegen zich natuurlijker dan in Last Orders. Alleen is het jammer dat Mistry van Dickens naast zijn fenomenale vertellerstalent ook diens melodramatische neigingen lijkt te hebben geërfd. Murw word je uiteindelijk van alle verschrikkingen die de auteur op zijn goedbedoelende personages loslaat.

Mistry laat alles zien, tot in de kleinste details; Beryl Bainbridge laat bijna alles weg. Haar kleine roman Every Man for Himself is eigenzinnig op het bizarre af. Aanvankelijk lijkt het wel een pastiche op een pastiche: in het eerste hoofdstuk laat ze de hoofdpersoon, de fortuinlijke wees Morgan, een hut betrekken op de Titanic. Wat volgt is een aaneenschakeling van sociale ditjes en datjes in de hogere kringen aan boord, toevallige ontmoetingen, toevallig opgevangen flarden van conversatie en half afgemaakte anekdotes. De personages, die te samen de lethargische Edwardiaanse bovenklasse vertegenwoordigen, krijgen nauwelijks contouren - er is een tragische zangeres, een joods modeontwerper, een paar vlinderachtige society-dames en een geheimzinnige filosofische Don Juan. Een roman lang lopen ze vrolijk langs elkaar heen, sombere berichten over brand in het ruim en gevaarlijke ijsschotsen negerend - totdat ze met het schip en al ten onder gaan. Dat de Titanic tegen een ijsberg aan zal varen, weet de lezer al voordat hij aan Every Man for Himself begint, en de passagiers pas als het al te laat is. Maar de verrassing zit in de geraffineerde manier waarop de schrijfster dat gegeven naar haar hand zet. Anders dan in de romans van Swift en Mistry stellen de passagiers van de Titanic zich niet teweer tegen het noodlot; ze lijken helemaal niet te beseffen dat er zoiets bestaat. Wanneer ze uit hun aangename wezenloosheid worden opgeschrikt door hun naderende verdrinkingsdood, laten de meeste van de personages van Bainbridge zich nog even van hun beste kant zien - om vervolgens te sterven. Aan het einde van de roman krijgt de ironie waarvan de roman doortrokken is, plotseling een intense lading. Morgan dobbert temidden van het wrakhout en wordt opgepikt door een reddingssloep. Al gauw duikt er een schip op aan de horizon. De geredde passagiers beginnen te juichen: 'For one instant I wanted to cheer too, the next that momentary leap of relief was replaced by unease which deepened into guilt, for in that moment I had already begun to forget the dead. Now that I knew I was going to live there was something dishonourable in survival.' Is de menselijke drang om te overleven of het leven door te geven bij auteurs als Mistry en Swift omgeven door humanistische noties, bij Bainbridge is het niets anders dan een diepgeworteld instinct, even egocentrisch als natuurlijk. Na een ramp als die van de Titanic, na iedere ramp, gaan de overlevenden gewoon opnieuw beginnen.

De manier waarop Bainbridge die gedachte tot literatuur heeft gemaakt is zo orgineel, dat ze van mij volgende week best de Booker Prize zou hebben mogen krijgen, als zich tussen de de genomineerde boeken niet een roman bevond die nóg beter is. Alias Grace van Margaret Atwood is een intense en intrigerende roman die wat mij betreft met kop en schouders boven de andere genomineerde boeken uitsteekt. De waargebeurde zaak van Grace Marks, het naar Canada geëmigreerde dienstmeisje dat halverwege de vorige eeuw tot levenslang werd veroordeeld wegens moord op haar werkgever en zijn huishoudster, heeft de Canadese schrijfster al vanaf de vroege jaren zeventig beziggehouden, toen ze er een televisiespel over schreef. In Alias Grace confronteert Atwood de figuur van Grace in de gevangenis met Simon Jordan, een dokter die op onderzoek gestuurd is door een comité dat zich inzet voor gratie voor het meisje. Grace vertelt Jordan haar levensverhaal, een sociaal-realistische horrorstory vol armoede en onderdrukking. Grace ontkent haar aandeel in de moorden, die haar vermeende minnaar gepleegd zou hebben. Maar wat ze de welwillende dokter vertelt is een verhaal. Hoe dieper deze doordringt in haar psyche, des te moeilijker de waarheid te achterhalen valt. Heeft Grace iets gedaan? En als ze iets gedaan heeft, waarom heeft ze het dan gedaan? Is haar gedrag het resultaat van ellendige sociale omstandigheden, is ze psychisch ziek, of huist er in haar geest een moorddadige ander?

Die vragen krijgen van Atwood geen eenvoudig antwoord, maar verdiepen zich in de loop van de roman tot een schrijnend mysterie. Naarmate de dokter meer kennis vergaart, dringt het tot hem door hoe weinig hij weet: 'Not to know - to snatch at hints and portents, at intimations, at tantalizing whispers - it is as bad as being haunted.' Maar tegenover de drang van de dokter om te weten, staat het verlangen van Grace om niet te weten: de geest van het meisje verdringt en verstopt feiten, de werkelijkheid is vaak te gruwelijk om onder ogen gezien te worden. Uiteindelijk valt ook de dokter ten prooi aan aanvechtingen waartegen zijn rationele instelling niet bestand is. Voor zowel hem als het meisje blijkt de waarheid geen stralend licht, maar een duister labyrint. Alles in dit boek blijkt dubbelzinnig te zijn.

Alias Grace is een historische roman in de negentiende-eeuwse traditie van de mystery-novel, spannend en onderhoudend, maar het is allesbehalve een genrestukje. Atwood weet aan de pastiche te ontsnappen; de spanningen die het verhaal beheersen, resoneren tot ver buiten de grenzen ervan.

Of zij de Booker Prize gaat winnen, weet ik niet. Het zal me ook een zorg zijn. Van dit zestal is het de roman die gelezen moet worden.

Van de romans van Mistry en Atwood verschijnen binnenkort vertalingen, bij Bert Bakker en Prometheus. Van Swifts boek verschijnt de vertaling bij de Bezige Bij.

In het Cultureel Supplement staat vandaag een vraaggesprek met Graham Swift.