Melkert wil minimumloon zonder werkgeverslasten

DEN HAAG, 25 OKT. Minister Melkert (Sociale Zaken) wil de werkgeverslasten voor het minimumloon afschaffen en WW-geld aanwenden voor het financieren van werktijdverkorting bij slecht draaiende bedrijven. Dit zijn twee maatregelen uit een werkgelegenheidsstrategie voor de komende zes jaar, die Melkert in een gesprek met deze krant formuleert.

Melkert, die zegt in een volgende kabinetsperiode te willen doorgaan als minister van Sociale Zaken, maakt zich zorgen over de ontwikkeling van de werkloosheid. “De aardige neerwaartse trend die we te pakken hadden zet nog onvoldoende door”, aldus Melkert. Om de werkloosheid terug te brengen noemt de minister vijf beleidslijnen. Hij verwijst daarbij onder meer naar Het onderste kwart, een vandaag verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over werk en werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De belangrijkste conclusie van het SCP is, in tegenstelling tot wat altijd wordt betoogd, dat het aantal banen aan die onderkant de laatste tien jaar gelijk is gebleven.

In opdracht van het SCP is aan 1.123 bedrijven gevraagd of zij extra personeel zouden aannemen indien zij over het minimumloon niet langer loonbelasting en sociale premies zouden hoeven af te dragen. De minimum loonkosten zouden voor de werkgever dan gelijk worden aan het netto minimumloon van 1.835 gulden per maand. Dit komt neer op een verlaging van de loonkosten op het minimumniveau met 25 procent. Ruim een kwart van de bedrijven zegt dat men in dat geval extra personeel zal aannemen. Omgerekend komt dat neer op 132.000 personen.

Melkert neemt de conclusie over en wil de loonkosten op het minimumloon in de komende jaren afbouwen. “Deze afbouw van werkgeverslasten kan door het volgende kabinet worden gecompleteerd”, aldus Melkert. De ministers Zalm (Financiën) en Wijers (Economische Zaken) hebben zich altijd tegen een dergelijke sterke verlaging van de loonkosten aan de onderkant van de arbeidsmarkt verzet. Wijers onderstreepte gisteren in de Tweede Kamer bij de behandeling van zijn begroting nog eens dat hij tegen een specifieke lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt is. Volgens Wijers en Zalm verhindert het mensen om carrière te maken. Als hun loon omhoog gaat moeten werkgevers immers opeens wel belasting en premies gaan betalen. Zij zullen werknemers dus zo lang mogelijk op een laag inkomen willen houden. Melkert wil dit nadeel ondervangen met een “glijdende schaal”, waarbij de loonkosten langzaam oplopen.

Een andere door Melkert bepleite maatregel is het inzetten van WW-geld om tijdelijke werktijdverkorting bij bedrijven mogelijk te maken. Op het ministerie wordt momenteel een studie gemaakt van dit “Duitse model”. In Duitsland kunnen bedrijven bij schommelingen in de produktie voor zes maanden werktijdverkorting aanvragen.

Pagina 13: 'Meer geld verkorting werktijd'

In Duitsland wordt gemiddeld 12 procent van de WW-uitgaven bestemd voor de financiering van tijdelijke werktijdverkorting. In Nederland bestaat de mogelijkheid theoretisch ook, maar die is veel beperkter. Melkert zegt voorstander te zijn van de ruimere Duitse mogelijkheden. Door WW-geld in te zetten voor de betaling van salarissen, wordt voorkomen dat werkgevers bij tijdelijke slapte of reorganisatie personeel ontslaan. “Ik vind het de moeite waard om dit instrument in het onderzoek naar een meer doeltreffende WW te betrekken”, zegt Melkert.

Melkert is het niet eens met de voornaamste conclusie uit de vandaag verschenen studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau Het onderste kwart. De conclusie luidt dat er de afgelopen tien jaar geen omvangrijke afbraak van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt heeft plaatsgevonden. “Dit is volgens mij niet in overeenstemming met de feiten”, zegt Melkert. De minister wijt het verschil van mening aan de definitie van het begrip “onderkant” dat door het SCP wordt gehanteerd. Het SCP verstaat hier ook flexibele arbeid onder. Volgens Melkert worden veel flexibele banen bezet door hoger opgeleiden. Ook is het niet per definitie zo dat al het flexwerk laag wordt betaald.

Verlaging van de loonkosten tot onder het netto minimumloon levert 38.000 personen extra werk op, zo blijkt uit de in opdracht van het SCP gehouden enquête onder bedrijven.

Omdat in de praktijk de laagste CAO-lonen een stuk boven het minimumloon ligt is het bedrijfsleven de vraag gesteld of het extra mensen zal aannemen indien de laagste CAO-schalen worden verlaagd tot het minimumloon. Tien van de elf ondervraagde bedrijven laten weten in dit geval géén extra personeel aan te nemen.

Als meest genoemde redenen worden genoemd dat men geen behoefte heeft aan extra laag betaalde functies (45 procent) en dat men de kwaliteit van het personeel belangrijker vindt dan de hoogte van de loonkosten (50 procent).