Leven in een binnenstebuiten gekeerde wereld

Elisabeth Gille: Un paysage de cendres. Du Seuil, 201 blz. ƒ 36,90

Op 30 september overleed op 59-jarige leeftijd de Franse schrijfster Elisabeth Gille. Als kenner van de Amerikaanse literatuur vertaalde zij onder andere Patricia Highsmith, Mary Gordon, Alison Lurie en J.G. Ballard in het Frans. Verder was zij uitgeefster bij verschillende grote uitgeverijen. Als auteur laat zij een klein, persoonlijk en zeer aangrijpend oeuvre na. De drie boeken die zij schreef zijn alle autobiografisch van aard.

Haar eerste boek, Le mirador (1992), verscheen in de reeks literaire biografieen van uitgeverij Presses de la Renaissance. Elisabeth Gille nam voor dit boek de plaats in van haar moeder, de gevierde Franse schrijfster Irène Némirovsky (1903-1942). In haar naam schreef zij de memoires die haar moeder zou hebben kunnen schrijven. Niet alleen door deze constructie zijn deze 'Mémoires rêvés' bijzonder. Ze zijn op een gedreven wijze geschreven en goed gedocumenteerd. De door haar moeder geschreven romans, films uit die tijd en getuigenissen van vele Russische en Franse auteurs, vertalers en uitgevers vormen het uitgangspunt van deze 'gedroomde memoires'. Bovendien wordt ieder hoofdstuk waarin de moeder de ik-persoon is, voorafgegaan door persoonlijke, ware of verbeelde herinneringen van Gille zelf.

In Le mirador, dat je ook als een historische roman zou kunnen lezen, schetst Gille het leven van haar moeders rijke joodse bankiersfamilie in Kiev en hun vlucht naar Finland bij het uitbreken van de Oktoberrevolutie in 1919. Uiteindelijk vestigden haar grootouders zich met hun dochter in Parijs, waar zij erin slaagden een nieuw fortuin op te bouwen. Na de traumatische en gewelddadige ervaringen tijdens de Russische Revolutie, was het luxueuze, zorgeloze leven in Frankrijk een verademing voor de ruim twintigjarige Irène. In 1929 publiceerde zij haar eerste roman David Golder waarmee zij meteen beroemd werd. Zij kreeg als een jonge, veelbelovende ster toegang tot het Parijse literaire milieu. In haar literaire biografie laat Gille haar moeder schrijven: 'Frankrijk was het land dat bij mij paste, het land van de maat en de vrijheid, van de edelmoedigheid ook. Zij heeft mij definitief geadopteerd, zoals ik haar heb aanvaard. Ik weet dat ik de goede keuze heb gemaakt: die van veiligheid, vrede, gematigdheid. Wij noch onze dochters hebben hier nog iets te vrezen.' Bitter beschrijft Gille daarna hoezeer haar ouders zich vergisten. Een nawoord vermeldt dat Irène Némirovsky, 39 jaar oud, in juli 1942 werd opgepakt en naar Auschwitz werd gedeporteerd. Drie maanden later ging haar man, Michel Epstein, dezelfde weg. Geen van beiden kwam terug. Hun dochters, Denise en Elisabeth, werden op tijd toevertrouwd aan een vriendin op het platteland, bij wie zij onderdoken tot aan de bevrijding.

In 1944 volgde Gille's tweede boek Le crabe sur la banquette arrière (vertaald als De krab op de achterbank). Weer gaat het om een verslag van een gevecht met de dood. Nu echter betreft het de schrijfster zelf. Vlijmscherp en satirisch beschrijft Gille de voortgang van de ziekte waaraan zij uiteindelijk zal bezwijken.

Begin september, slechts enkele weken voor Gille's dood, verscheen haar derde boek, Un paysage de cendres. Schetste zij in Le mirador gedetailleerd en met veel verve de tijdgeest en de brede politieke achtergrond waartegen haar familiegeschiedenis zich afspeelde, in Un paysage de cendres geeft zij een vervolg aan Le mirador dat heel anders van toon is. Op sobere wijze zoomt zij in op het lot van de meisjes die achterbleven en nooit echt afscheid hebben kunnen nemen van hun ouders. Ongetwijfeld heeft Gille zelf, die vijf was toen zij haar ouders verloor, model gestaan voor haar vijfjarige hoofdpersoon. In sober, helder taalgebruik, ontdaan van iedere franje, beschrijft de verteller hoe Léa Lévy midden in de nacht bij het door nonnen gedreven pensionaat in de Gironde wordt afgeleverd. Haar vader, een rijke joodse zakenman in Bordeaux, had haar nog net voordat hij opgepakt werd, in veiligheid kunnen brengen. Léa begrijpt dat zij in gevaar is en daarom luistert zij op cruciale momenten naar haar nieuwe naam, hoewel ze haar nieuwe identiteit nooit zal accepteren.

Verwend en onhandelbaar weigert ze zich te onderwerpen aan de strakke regels op het pensionaat en put ze alle kracht uit de zekerheid dat haar ouders haar, na hun reis, weer zullen komen ophalen. Met de twee jaar oudere Bénédicte Gaillac, wier ouders actief zijn in het verzet, sluit ze intense, levenslange vriendschap. Na de bevrijding wordt het Léa duidelijk dat haar ouders, in tegenstelling tot die van Bénédicte, niet terug zullen komen. Tijdens een zoektocht in Parijs bezoekt zij Hôtel Lutetia, waar overlevenden uit de kampen worden opgevangen. Uit de mond van een spookachtige jongen, wiens uitgeteerde uiterlijk haar grote schrik aanjaagt, hoort zij de waarheid: 'Verbrand in een oven. Veranderd in zwarte rook. Pfft!' Vanaf dat moment stort Léa's wereld in elkaar: 'Haar zwarte blik leek bewoond door een vreemde sombere aanwezigheid. Je zou kunnen zeggen dat voor haar de wereld binnenstebuiten gekeerd was, net als een handschoen, dat zij alleen nog maar de grijze en ruwe keerzijde zag, die aan de binnenkant op haar oogholtes was geplakt. Ze sprak niet meer.' De ouders van Bénédicte nemen haar op in hun gezin, maar zij beseffen dat Léa's jeugd vertrapt en haar leven voorgoed verwoest is: 'In wezen wist dit kind niets van zichzelf, niets van haar oorsprong, niets van haar identiteit. Ze was slechts verschroeide aarde, een landschap van as.'

Het is jammer dat het boek hier niet eindigt, op een punt dat je als lezer bij de keel grijpt. In het laatste deel schetst Gille een clichématig, gehaast beeld van het Saint-Germain-des-Prés uit de jaren vijftig en zestig. Sartre, Beauvoir en Jankélévitch passeren de revue. In rokerige cafés wordt er heftig gediscussieerd over het communisme en de Algerijnse oorlog. Tot slot laat Gille de roman met een sterk dramatische 'coup de théâtre' eindigen. Dit laatste deel doet afbreuk aan de ontwapenende puurheid en de treffende eenvoud waarmee de rest van het boek is geschreven. Hoe aangrijpend en natuurlijk het eerste deel van de roman is, zo gekunsteld is het laatste.

Hoewel Un paysage de cendres alle elementen van een roman in zich heeft, heeft het boek ook het karakter van een documentaire. Het wil verslag doen. Het wil getuigen. Het wil waarschuwen tegen het vergeten. De schrijfstijl is 'sec', staccato en gedreven en is niet uit op mooie effecten. Het is een boek dat vanuit een sterke innerlijke drang geschreven is, recht uit het hart, door een schrijfster die, net als haar moeder, besefte dat ze niet veel tijd meer had.