Kunst op de muur

Altijd weer veroorzaakt het een bijzonder gevoel, geeft het een zekere prikkeling als je in het buitenland iets in je moedertaal leest. In Jakarta op de garages bijvoorbeeld knalpot.

Je hart wil even opengaan; een overblijfsel van linguistisch imperialisme; alsof er gesmoord, met een rest van vreugde Victorie! wordt geroepen omdat er in ieder geval nog een paar van onze woorden aan vreemde kust wortel hebben geschoten. (Zie ook het essay van Rudy Kousbroek, Hebben Hollanders hielen? waarin hij betoogt dat in plaats van het Engels het Nederlands wereldtaal had kunnen zijn, als ons imperialistisch voorgeslacht uit de Gouden Eeuw het wat grootser had aangepakt, d.w.z niet alleen op de centjes had gelet. Taal volgt macht.)

Nu zag ik In The New York Times van 22 oktober op pagina B1 het woord Amsterdam, in een artikel dat over graffiti gaat: 'Is graffiti een vorm van kunst? Een oude kwestie nieuw leven ingeblazen.' In het Museum of the City of New York was dat weekeinde een symposium gehouden waar de vraag die men zich in het Westen al bijna veertig jaar stelt, zou worden beantwoord. Uit dit beschouwend verslag bleek dat het niet was gelukt. Tot zover is er niets belangwekkends aan. Het interessante ligt in de tegenstelling tussen de oude argumenten en de nieuwe praktijk.

De geschiedenis, zeer kort samengevat, is de volgende. Graffiti is er altijd geweest, zoals op de muren van Pompei al te zien is. Tot ongeveer het midden van de jaren zestig moest de jeugd zich met krijt en scherven van bloempotten behelpen. De doorbraak naar de kunst is gekomen met de viltstift en de spuitbus. De graffiti die in de beste jaren als een kunst van het nieuwe jeugdverzet werd beschouwd, heeft alles te danken aan de multinationals die het nieuwe schrijfmateriaal operationeel hebben gemaakt en over de wereld verspreid.

Eerst begonnen de graffitisten de rijtuigen van de New-Yorkse subway aan te pakken. 's Nachts gingen de kinderen op de rangeerterreinen aan het werk, overdag stonden ze op de bruggen om hun prestatie voorbij te zien rijden. Norman Mailer heeft er een essay over geschreven, I saw my name passing by, en daarmee was deze kunstvorm als het ware wereldwijd gecanoniseerd. Dus: viltstift en spuitbus plus Mailer. Daarna heeft het aanbrengen van de verf door de jeugd en die er weer afhalen door de overheid kapitalen gekost. Verffabrieken en schoonmaakbedrijven hebben bij deze kunst een groot financieel belang.

De behoefte om op muren te schrijven is universeel en van alle tijden, maar nog nooit in de geschiedenis was het dus zo gemakkelijk geweest om opzienbarende resultaten te bereiken en al doende bij voorbaat als verzetskunstenaar erkend te worden. De nieuwe golf van graffiti is van New York binnen niet meer dan een jaar of tien over de hele aarde gespoeld. Geen stad is nog zonder.

Amerikaanse verdedigers van het genre stellen zich nu op het standpunt dat we hier te maken hebben met een soort visual jazz, een typisch Amerikaanse kunstvorm. De Amerikanen zouden er dus trots op moeten zijn dat Amsterdam ook zijn muren op zo'n manier behandelt, liet iemand zich in de discussie ontvallen. Dit was dus de passage waar mijn ogen door de naam van de hoofdstad werden getroffen.

Intussen zijn de rijtuigen van de New-Yorkse subway al weer jaren van deze kunst ontdaan. Dat heeft burgemeester Giuliani laten doen. Burgemeester Patijn heeft laten weten ook zoiets van plan te zijn, maar intussen zie ik nog hoe, met de regelmaat waarop de nacht van vrijdag op zaterdag terugkeert, de vers overgeschilderde glanzend bruine muur van de Engelse kerk aan de kant van de Voorburgwal weer van tags voorzien is. Het gaat daar met de volhardendheid van een loopgravenoorlog.

Maar is het kunst? Vinden we dat nog steeds? De graffitisten, zei iemand anders op het symposium, zijn gewoon constant in dialoog met hun omgeving. De rapporteur van de N.Y. Times trok de conclusie dat wie tegenstander van graffiti is, goedkeurend naar de daklozen kijkt met de bijgedachte dat ze in een werkkamp zouden moeten; dat zo iemand vindt dat het in Spanje onder Franco eigenlijk veel beter ging en dat de belastingen met dertig procent moeten worden verlaagd. Een verlangen naar schone muren kan in New York tot een ruzie van een kwart eeuw geleden worden gepolitiseerd. Het blijft een ouderwetse stad. Daarom trof het me des te meer, niet Parijs of Berlijn maar juist Amsterdam in dit verband genoemd te zien. Hebben wij intussen dat conflict niet op onze manier achter ons gelaten? Zal iemand zich op een Amsterdams symposium nog druk maken over de vraag of graffiti kunst is? De stad wordt gewoon volgespoten en met een Nederlands mengsel van gelatenheid en volharding weer schoongemaakt. Daaruit blijkt dat de graffiti gedepolitiseerd is en dus, opper ik, indertijd tot kunst uitgeroepen door een politieke richting, opvatting, stroming die zowat is afgestorven. Daarmee zijn de graffiti terug weer wat ze altijd zijn geweest: gewoon een beetje schrijven op de muur.