Knut Wicksell (1851-1926); Een dwarse Zweedse econoom

T. G©1ardlund: The life of Knut Wicksell. Edward Elgar, vertaald uit het Zweeds door Nancy Adler, 335 blz. ƒ 142,-

In de zomer van 1925 schreef Zwedens bekendste econoom in die dagen, Knut Wicksell, vanuit Stockholm aan zijn vrouw Anna Bugge, gedelegeerde voor Zweden bij de Volkenbond in Genève, dat hij een uitvoerig artikel van J.M. Keynes over Marshall had gelezen. Het artikel was naar zijn oordeel hoogst interessant maar, liet hij haar verder weten, ook echt Brits. Het wekte immers de stellige indruk dat buiten Engeland het vak economie helemaal niet werd beoefend. Wicksell was op dat moment 73 jaar oud en een internationaal befaamd en gerespecteerd econoom. In eigen land was hij bovendien een controversiële publieke figuur, wegens zijn uigesproken radicale opvattingen over politieke en maatschappelijke kwesties gedurende bijna een halve eeuw.

Wicksell werd in 1851 geboren te Stockholm en groeide daar op in een gegoed en godsdienstig middenstandsgezin. In 1869 begon hij te Lund zijn universitaire studie: wis- en natuurkunde maar ook, zoals in die tijd niet ongewoon, talen en filosofie. Staathuishoudkunde als zelfstandig vak bestond nog niet. De biograaf beschrijft op interessante wijze Wicksells moeizame loopbaan tot zijn erkenning als econoom en benoeming tot hoogleraar, maar ook zijn baanbrekende monetair-theoretische werk. Dat laatste is voor een Nederlander interessant omdat Wicksells opvattingen een rol speelden in het Nederlandse monetaire beleid na de Tweede Wereldoorlog.

Wicksells eerste kennismaking met het vak economie verliep via de journalistiek. In 1874 deed hij zijn eerste examen voor een licentiaat in de wiskunde. Met lesgeven, journalistiek werk en, naar Brits voorbeeld, het houden van openbare voordrachten probeerde hij vervolgens aan de kost te komen en een bijdrage te leveren aan de volksopvoeding. Zijn onderwerpen vormden een afspiegeling van zijn persoonlijke en maatschappelijke interesses, maar ook van de tijdgeest. Hij sprak over vrijheid van meningsuiting, de burgerlijkheid en de intellectuele inertie van het Zweden van zijn studentenjaren. Opvallend is zijn verzet in woord en geschrift - Wicksell was ook pamflettist en medeoprichter-financier van kritische bladen - tegen het machtsoverwicht van een bevoorrechte, vaak adellijke Zweedse elite. Tot na de eeuwwisseling was hij een strijdbaar pleitbezorger van het algemeen kiesrecht en steunde hij met kracht de beweging voor het kiesrecht voor vrouwen.

Opvallend was ook zijn openlijke keuze voor het neo-Malthusianisme, onder volstrekte afwijzing van de morele zelfbeperkingspleidooien van Malthus zelf. Wicksell bestreed de toen in Zweden gangbare opvatting dat uitstel van het huwelijk een geëigend middel was om verpaupering tegen te gaan. De achtergrond daarbij was Wicksells overtuiging dat in Zweden overbevolking dreigde, waardoor een omvangrijke emigratie - vooral naar de Verenigde Staten - onvermijdelijk leek. Merkwaardig genoeg trok hij overigens nimmer een parallel met de overeenkomstige situatie in Ierland.

De bevolkingstheorie bleef lange tijd Wicksells grote wetenschappelijke liefde en werd daardoor mede zijn brug naar de economie. Dit geldt ook - maar toen was hij economisch al beter onderlegd - voor zijn felle verzet tegen de achturige werkdag die toen in Zweden werd bepleit. Deze achtte hij op economische gronden onverantwoord: de arbeidsduurverkorting zou de lonen opjagen en de bevolkingsgroei nog met een groter aanbod van arbeid aanmoedigen. Wicksells zwerftocht door de woestijn van controversiële maatschappelijke betrokkenheid duurde nog vele jaren en bezorgde hem veel vijanden, ook in de toen zeer rigide Zweedse academische wereld.

Intussen was hij in 1890, bijna veertig jaar oud, een zogeheten vrij huwelijk aangegaan met de tien jaar jongere Noorse lerares Anne Bugge, een verbintenis die veel opzien baarde. Voordat het zover kwam, bood een genereus stipendium van de Lorén Foundation Wicksell in de tweede helft van de jaren 1880 hem een unieke kans zijn kennis van de staathuishoudkunde te vergroten door studieverblijven in Londen, Straatsburg, Wenen en Berlijn. Vooral Wenen, met geleerden van naam als C. Menger en Von Böhm-Bawerk, vormde een belangrijke bron van kennisverrijking. Zijn vurige verlangen naar een docent- of hoogleraarschap in Zweden ging bij terugkeer echter niet in vervulling. Dit ondanks het feit dat intussen een aantal fraaie economische studies van zijn hand was verschenen over onder andere belastingheffing en kapitaalvorming, èn zijn nog steeds befaamde Geldzins und Güterpreise. Ook bij de voorbereiding daarvan kreeg hij financiële steun van het Lorén Fonds.

Nadat hij examen rechten had gedaan werd Wicksell in 1901 benoemd aan de rechtenfaculteit - destijds de enige faculteit waar economie op het programma stond - te Lund. Daar zou hij de rest van zijn academisch leven blijven. Hij ontwikkelde zich er tot een econoom wiens werk opviel door een strakke betoogtrant (zijn wiskundige vorming liet zich niet verloochenen) en een vaak verrassende actualiteit. In Nederland kregen vooral zijn monetair-theoretische inzichten - die een monetaire verklaring van de conjunctuur boden met aanknopingspunten voor het beleid van centrale banken - grote aandacht en invloed. De kern van zijn monetaire theorie is dat het uiteenlopen van de natuurlijke en de marktrente een verstoring weerspiegelt van het economisch evenwicht. Dit roept aanpassingsprocessen in de economie op, die in feite de conjunctuur vormen. Rentepolitiek is dan het conjunctuurpolitieke instrument bij uitstek. Jarenlang is deze gedachte een rijke bron geweest voor de theorie en praktijk van het monetaire beleid; vooral na het verlaten van de gouden standaard in 1914, toen de zo vertrouwde vaste beleidsbakens aan de centrale banken ontvielen. De latere monetaire ideeën van Keynes en andere Cambridge-economen zijn vermoedelijk eveneens schatplichtig aan veel van Wicksells gedachtengoed.

In Nederland hebben Wicksells denkbeelden in de monetaire theorie en praktijk vooral hun weg gevonden via de latere hoogleraren Verrijn Stuart, Koopmans en Goedhart en in zekere zin ook onder invloed van de naoorlogse Bankpresidenten Holtrop en Zijlstra. In 1915 trok Wicksell zich terug als hoogleraar, maar hij bleef actief als economisch adviseur, onder meer voor een herziening van het Zweedse belastingstelsel. Opmerkelijk is ook de intellectuele vriendschap tussen de oude Wicksell en de gouverneur van de Zweedse Riksbank. Heel interessant, ook met het oog op de voorgenomen beleidsoriëntatie van de toekomstige Europese Centrale Bank, is Wicksells voorstel prijsstabiliteit te kiezen als de monetaire beleidsdoelstelling van de Riksbank. Dit bijna vergeten werk, in dit boek vol lof en met kennis van zaken besproken, verrast nog steeds door zijn eenvoud en diepgang.

Het boek van G©1ardlund geeft een prachtige blik op de ontwikkeling en wording van het vak economie als zelfstandige discipline buiten de toenmalige centra van economiebeoefening. Daarnaast laat het, niet minder boeiend, de kleinheid evenals de grootheid zien van bepaalde personen. Groots is de houding van de toenmalige Zweedse bankpresident Moll, die waardering had voor Wicksells dwarse en weinig traditionele zienswijzen. Indrukwekkend is ook de consequente en gelijkwaardige relatie van Wicksell met zijn levensgezellin. Wicksell overleed in 1926 op 74-jarige leeftijd. Na een leven zonder concessies aan traditie, wet of godsdienst besloot Anne Bugge haar echtgenoot te laten begraven mèt het aloude ritueel. Eénmaal liet ze zo haar eigen voorkeur voor de diepgewortelde traditie prevaleren boven de onrust van de kritische maatschappijvisie die Wicksells leven had beheerst.