Holland Festival

Op drie niveau's spraken leden van één partij, D66, de afgelopen tijd over het Holland Festival. Het Amsterdamse gemeenteraadslid Bart Robbers stelde voor het op te doeken, de Amsterdamse wethouder van cultuur Ernst Bakker had zijn twijfels over het voorstel en staatssecretaris Nuis van Cultuur zal, als we Bakker mogen geloven, de rijkssubsidie van 2,4 miljoen gulden die in geval van opheffing vrijkomt 'lekker in eigen zak' steken. Overleggen ze weleens met elkaar in die partij?

De gelegenheid dreigt de dief te maken. Volgend jaar viert het Holland Festival zijn vijftigjarig jubileum en treedt directeur Jan van Vlijmen af. Een geschikt moment, volgens Bart Robbers, voor 'een feestelijke begrafenis' in plaats van 'een zachte dood'. De metafoor rammelt - een zachte dood staat eerder te boek als iets positiefs dan als iets negatiefs - maar afgezien daarvan is het argument opportunistisch en niet erg netjes. Uit zijn reacties in 'de media' bleek bovendien dat Robbers niet op de hoogte was van het eigenaardige van een festivalorganisatie. Hij besefte niet, dat een festival bij het aantreden van een nieuwe directeur van de ene dag op de andere van karakter kan veranderen. Anders dan bij voorbeeld bij het Gemeentelijke Vervoers Bedrijf kan zo'n nieuwe directeur, met inachtneming van misschien een overgangsjaar, het roer volledig omgooien. Als er dus reden is tot klagen over de programmering van het Festival - en die is er inderdaad - dan biedt het jubileumjaar een mooie kans om daar iets aan te doen. Door de benoeming van een nieuwe directeur, die niet bij voorbaat op een schopstoel terecht komt.

Het gedoe om het Holland Festival is een symptoom van een klimaat. Het gemeentebestuur van Amsterdam heeft het geluk dat de cultuur in de hoofdstad tegen de klippen op gedijt. Het kan rustig eindeloos slalommen met IJ-oever-plannen, het kan gedogen dat het Rozentheater (voorheen Mickery) - een uitstekende zaal voor de kleinschalige moderne dans - grote delen van het seizoen ongebruikt naar bespeling staat te hunkeren en het toont zich ook niet bijster onder de indruk nu de befaamde muziektempel Paradiso zichzelf spottend 'Paradisco' is gaan noemen, omdat de experimentele concerten waar onbekende artiesten in het verleden vaak hun naam vestigden, financieel niet meer haalbaar zijn.

“Als u iets anders wilt, hoor ik het wel. Ik zal er niet om aftreden”, zei wethouder Bakker tegen de Amsterdamse gemeenteraad bij de onderhandelingen over zijn Kunstenplan. Zijn woorden illustreren het belang dat hij kennelijk aan cultuur hecht, het is een minor point op zijn agenda. Vandaag is het 'bespreekbaar' (PvdA) dat het Holland Festival verdwijnt, gisteren vond men, anders dan eergisteren, dat de Stadsschouwburg toch maar ingrijpend verbouwd moet worden ten behoeve van Toneelgroep Amsterdam, morgen is weer een ander instituut slachtoffer van het lakonieke denken op het stadhuis.

Een voordeel van die traditie is dat betrokkenen hun schouders kunnen ophalen over het zoveelste nieuwe ideetje en dat de gemeentelijke bijdrage aan bij voorbeeld het Holland Festival (6,5 ton) te gering is om het bestuur enig recht van spreken te verschaffen. Intussen onderhandelt Bakker in Den Haag over meer geld voor de kunsten in de hoofdstad, met een partijgenoot die ook in de kranten gelezen heeft dat de wethouder niet zal aftreden, hoe het resultaat ook zal zijn.

De vraag die er werkelijk toe doet, is om welke reden bestuurderen als Bakker en Robbers wel zouden aftreden. Wisten we het maar.