Gods tegenvallende voeten

Chris Donner: Kijk, zo word je rijk. Vertaald uit het Frans door Bart Moeyaert, Querido, vanaf 10 jaar, 76 blz. ƒ 22,90

In 1995 verscheen een bijzonder klein boekje van een in Nederland onbekende schrijver, Brieven van mijn broertje van Chris Donner, uitstekend vertaald uit het Frans door de Vlaming Bart Moeyaert. Op het eerste gezicht lijkt het te bestaan uit laconieke vakantiebrieven van een jongetje aan zijn oudere broer, maar tussen de regels door valt een familiedrama te lezen. De broer is homoseksueel, wat de ouders niet kunnen verdragen en daarom is hij niet mee op vakantie.

Het was een verademing zo'n zwaar jeugdboekenthema nu eens licht en humoristisch verbeeld te zien.

Onlangs kwam Donners tweede boek uit, Kijk, zo word je rijk, dat heel anders van sfeer is, maar wel wordt gekenmerkt door dezelfde luchtige toon. De vier verhalen in dit bundeltje gaan over sterk uiteenlopende dingen, rijk worden, naar de maan gaan, wedstrijden met coladoppen. Maar stuk voor stuk beginnen ze als eenvoudige anekdotes, om in een rap tempo absurde trekken te krijgen. De verhalen zijn geschreven in een heldere stijl, die tegen de spreektaal aanligt, maar tegelijk speels en vindingrijk is. In het eerste verhaal, 'Zo werd ik rijk', jat iemand een appel van een grote berg in een marktkraam: 'Ik zigzagde tussen de benen door, tussen de tassen, tussen de woefjes en hun vrouwtjes.'

Na deze vermoeiende tocht wil hij net een hap nemen uit de appel als een voorbijgangster hem wil kopen. Ze biedt steeds meer en zo komt het dat iedereen ervan overtuigd raakt dat dit wel een heel bijzondere vrucht moet zijn: 'Met grote ogen kwamen ze dichterbij, ze begonnen te fluisteren en na te denken. Hoe stommer mensen zijn, hoe dieper ze moeten nadenken.' Al gauw komen journalisten hijgend aandraven om dit wereldwonder vast te leggen, en stromen de kopers, oliesjeiks en Russische miljardairs, toe. De appel is alras beroemder dan de Eiffeltoren, maar uiteindelijk eet de hoofdpersoon hem zelf op, voert het klokhuis aan een hond en voelt zich rijk. Dankzij Donners nuchtere toon is deze moraal niet irritant of dwingend.

'Kijk, zo kuste ik de handen van God' heeft, aanvankelijk, meer weg van een simpel beschouwinkje. Het doet denken aan de gedachtengangen die Guus Middag beschreef in Ik maak nooit iets mee en andere avonturen (Gouden Griffel 1996). Ook bij Donner is het alsof iemand naast je op een bankje in een park zomaar iets begint te vertellen, een belevenisje of een herinnering: 'Toen ik klein was, geloofde onze familie niet in God. Ze zeiden: “God bestaat niet, hij zit niet op de wolken, hij ziet ons niet de hele tijd, en de aarde heeft hij ook al niet geschapen”.'

Net als Middag lijkt Donner vooral te beschrijven wat hem zelf bezig houdt en maakt hij het gewone bijzonder, op een manier die voor kinderen te begrijpen is zonder kinderachtig te doen. De ik-persoon wordt groot, gaat op zichzelf wonen en denkt niet meer na over God. Maar op een dag ziet hij bij vrienden een foto van hem, althans, van zijn voeten. Het zijn de voeten van ene Sai Baba, alias God, maar ze vallen nogal tegen. 'In musea vooral heb ik Griekse en Romeinse beelden gezien met schitterende voeten. (...). Maar die van Sai Baba, nee, die vond ik eerlijk gezegd een beetje plomp, heel menselijk eigenlijk, van die voeten die je elke dag in het zwembad kunt zien.'

Een nadeel is dat deze verhalen soms wel wat erg vrijblijvend zijn, je bent ze zo weer vergeten. Anderzijds blijven ze daardoor bij herlezing steeds verrassen. Een groter bezwaar is het soms sterk Franse karakter, vooral van 'Zo ging ik naar de maan', een krankzinnig verhaal over iemand die per ongeluk op de maan belandt en daar min of meer vergeten wordt. Iets als 'de Fransen willen altijd doen wat de Amerikanen doen', is misschien het leukste om te lezen als je zelf Frans bent. Ook is enige kennis van het land wel vereist, want er wordt wat afgeruzied in dit verhaal tussen diverse Fransen, Normandiërs, Bretons, Parijse Arabieren en Elzassers. Kijk, zo word je rijk is daarom misschien het best te lezen in het Frans, in de brugklas bijvoorbeeld. Want het zou wel heel handig en vrolijk zijn om meteen te leren hoe je dat doet, 'faire fortune'.