Gnostische seks

Jacob Slavenburg: De mislukte man. Vrouwenhaat in het christendom. Uitgeverij Alpha, 156 blz. ƒ 39,50

Het dualisme is een aloude religieuze gedachte. Het komt erop neer dat de wereld is geschapen door een boosaardige god. De mens is een soort gevallen engel: een geestelijk wezen gevangen in de materie. Om zich daaruit te bevrijden, moet hij streven naar contact met de goede God, die zich bevindt ver bóven de kwaadaardige schepper-god, en dan ook niet verantwoordelijk is voor het kwaad in deze wereld.

Deze grondgedachte is al te vinden bij Plato, wiens Demiurg de wereld schept terwijl het al-goede zich ver boven het aardse strijdgewoel bevindt. Er zijn vele gradaties mogelijk, van een onwrikbare tegenstelling tussen goed en kwaad tot een bijna christelijke variant waarin Satan weliswaar machtig is op aarde, maar tegelijk een onwetende dienaar is in een geheim plan van de hoogste God.

Ondanks vervolgingen door officiële kerken, is zulk dualisme - vrijwel altijd in een waas van geheimzinnigheid - in de Europese geschiedenis voortdurend opgedoken. De Romeinse tijd kende gnostici, de middeleeuwen hadden Bogomielen en Katharen, en eind twintigste eeuw brengt de New-Age-beweging 'moderne gnostici'. Mogelijke verklaringen voor de hardnekkige populariteit van deze wereldbeschouwing zijn de aantrekkingskracht van een streng zwart/wit-denken, maar ook de elitaire mogelijkheid om via inwijding te komen tot 'geheime kennis' van 'hogere werelden'.

Wie eenmaal dualist is, kan twee kanten uit. In het verleden bleken de meeste dualisten strenge asceten. Ze wilden zo min mogelijk met het aardse bestaan te maken hebben: geen vlees, luxe, emoties of seks. Maar het is anderzijds ook mogelijk om de teugels eens flink te laten vieren. Want wie door kennis van een 'hogere wereld' bevrijd is uit het aardse web van de materie, heeft ook weinig meer te maken met de kortzichtige aardse moraal en beperkte aardse emoties - dus waarom dan niet doen waar je zin in hebt?

De gnostisch geïnspireerde auteur Jacob Slavenburg lijkt op grond van zijn nieuwste boek, De mislukte man. Vrouwenhaat in het christendom, te behoren tot de meer lichamelijke variant van de gnostiek. Zolang de mens in de materiële wereld - volgens Slavenburg 'de gestolde adem die van Geest uitgaat' - 'Geest' kan herkennen, mag hij 'vol liefde' met die materie omgaan. Het gevestigde christendom heeft dat volgens Slavenburg miskend. De meeste van zijn bewijsplaatsen voor de vermeende vrouwvijandigheid van het christendom zijn dan ook afwijzingen van seks, niet zozeer van de vrouw. Tevens verwijt hij het christendom dat het van de 'intens levende mens' Jezus een 'bleke seksloze halfgod' heeft gemaakt. Volgens hem was Jezus getrouwd met Maria Magdalena, en was de bruiloft te Kana hùn trouwerij - waarbij zijn bewijsvoering overigens niet overtuigt. Die komt erop neer dat Jezus wel getrouwd moet zijn geweest omdat destijds iedere joodse man dat op die leeftijd was.

Als opsomming van 'vrouwvijandige' uitspraken in het christendom is dit boekje niet onaardig, al vat Slavenburg die uitspraken nogal eenduidig en letterlijk op - wat niet bepaald is aan te raden bij de interpretatie van een complexe religieuze traditie. Ook het boeddhisme kent op het oog misogyne meditaties op vrouwenlichamen als 'vaten vol snot en pus', om monniken te helpen zich te onthechten aan de kringloop van wedergeboorten. Is het boeddhisme daarmee 'vrouwvijandig'? Bovendien fixeert Slavenburg zich nogal op strenge woorden van kerkvaders als Augustinus en theologen als Thomas van Aquino. In het meer volkse christendom liep het zo'n vaart niet, zoals onder meer blijkt uit de gelukkig ook hier genoemde, immens populaire heiligenlevens van de Legenda Aurea uit de dertiende eeuw.

Voor het overige is dit boekje een poel van verwarring. Zo weet het moderne feminisme dat het toestaan van seksuele omgang met vrouwen nog geen bewijs voor 'vrouwvriendelijkheid' oplevert; maar Slavenburg voert het voortdurend als zodanig op. Als anderzijds door hem bewonderde gnostische stromingen seks bestempelen als 'demonisch', is dat volgens hem juist níet vrouwvijandig bedoeld. Het lijkt er verder op dat Slavenburg een soort historische drieslag wil construeren, met een gefantaseerd matriarchaat in de oertijd (waarvoor hij als voornaamste bewijsplaats een boekje van een negentiende-eeuwse Zwitserse jurist opvoert), mannelijke heerschappij daarna, en dan een overstijging van de man/vrouw-tegenstelling in de moderne tijd dankzij herlevende gnostische inzichten.

Bronnenkennis valt Slavenburg niet te ontzeggen, maar zijn interpretaties zijn warrig en vooringenomen tegelijk. Daardoor is zijn kritisch bedoelde werk niet veel meer dan een met historische citaten doorspekte New Age-brochure.