Geliefde oude schichten

C.J. van Beek en P. Belinfante: De onschatbare klassieker. Overzicht van 2.950 klassiekers. Haakman BV. 936 blz. ƒ 27,50

Het waarschijnlijk best verkochte autoboek van Nederland bevat geen model van recenter datum dan 1988. Sterker nog: los van een enkele 'young timer' zijn veruit de meeste exemplaren de vijfentwintig jaar meer dan ruim gepasseerd. Noviteiten als airbags of digitale dashboards komen al helemaal niet aan de orde. Dat is opmerkelijk, omdat mag worden aangenomen dat het meest gewilde leesvoer over auto's toch het nieuwste van het nieuwste beschrijft. Dat geldt dus niet voor een bestseller op autogebied als De onschatbare klassieker (oplage 40.000 exemplaren).

Toen in 1896 de eerste auto over de Nederlandse wegen reed, kon niemand voorspellen dat honderd jaar later het straatbeeld volledig zou worden bepaald door het nationale wagenpark. Vorig jaar bestond dat uit 5.633.000 stuks. Nederland zit in de westerse wereld met zo'n vierhonderd auto's op duizend inwoners niettemin in de middenmoot, tussen bijvoorbeeld Griekenland met nog geen tweehonderd en de Verenigde Staten met ruim 550.

Het aandeel oude auto's dat over de Nederlandse wegen rijdt verklaart overigens wel de populariteit van De onschatbare klassieker. Auto's ouder dan 25 jaar maken weliswaar slechts 0,8 procent uit van het totaal, maar hun aandeel neemt sterk toe. Zo is het aantal stokoude 'collectors items' (ouder dan zeventig jaar) tussen 1990 en 1995 toegenomen van 222 tot 266, een groei van 19,8 procent. De groep 'old timers' (45 tot 70 jaar oud) dijde in die periode uit met 17,8 procent, van 3.508 tot 4.133. En het aantal klassiekers, (25 tot 45 jaar oud) nam met 24,2 procent het sterkst toe: van 31.670 tot 39.331 stuks. Alleen van Volkswagens, Opels en DAF's zijn er meer verdwenen dan bijgekomen.

De Nederlander mag dus gerust een liefhebber van oude auto's worden genoemd, want ze blijken op grote schaal te worden geïmporteerd. Die wassende populariteit wordt weerspiegeld in oplaag en omvang van dit handboek, dat nu zijn zevende jaargang kent. Het eerste jaarboek (1991), dat 450 modellen behandelde en 288 pagina's omvatte, is antiquarisch al een fortuin waard.

Wie een oude auto zoekt kan in dit werk terecht voor gegevens over motor, topsnelheid, maten, produktie-aantallen, de nieuwprijs van toen en - in het algemeen het belangrijkst - een actuele prijsschatting. Die wordt gegeven voor drie condities: auto's in ongerestaureerde staat, in redelijke staat en in goede, maar geen 'concours-conditie'. Die prijsindicaties worden gemaakt door twee beëdigde taxateurs en volgen tamelijk nauwkeurig de marktontwikkeling, al ontkomen ook deskundigen er niet altijd aan een slag in de lucht te moeten doen. Zo valt er over de prijs van een auto die in achtvoud is geproduceerd nauwelijks iets zinnigs te zeggen. Voor het overige zijn de richtprijzen aan de voorzichtige kant, als wordt gekeken naar de bedragen die op beurzen en in periodieken worden gevraagd. Dat wil omgekeerd weer niet zeggen dat die bedragen er ook voor worden betaald.

Die prijzen verschillen duidelijk van jaar tot jaar. Ferrari's kostten begin jaren negentig gemakkelijk ettelijke miljoenen, maar zijn zeer snel in waarde gekelderd. Een 250 LM wordt - bij wijze van uitzondering - nog wel op zo'n twee miljoen gulden getaxeerd. Zo duur hoeft klassiek rijden ook weer niet te zijn. Een fraaie 8-cylinder limousine, met een inhoud van 4.890 cc is in prima staat niet duurder dan 8.000 gulden, alleen staat er dan Tchaika op de motorkap. Auto's voor dagelijks gebruik stijgen echter steeds meer in waarde, zonder twijfel door het wegvallen van de houderschapsbelasting voor auto's ouder dan 25 jaar. Voor een goede Volvo van de 120- of 130-serie moet 20.000 gulden worden betaald, voor een Citroën DS wat meer en voor een Jaguar Mk II al gauw ruim 40.000 gulden.

Aardig in dit boek is de behandeling van merken die praktisch nooit op de klassiekermarkt verschijnen, zoals Paramount, Osca, Syrena, Apollo of Bricklin. Het geeft wel een smakelijk beeld van de rijke verscheidenheid aan merken die er vroeger was. Uitgebreider nog dan nu al, zouden de belangrijkste klassiekermerken als Volkswagen, Volvo, Citroën, Fiat, MG en Mercedes-Benz aan de orde kunnen komen. Dat zal ook zonder twijfel gebeuren. De makers mikken er op het aantal besproken auto's jaarlijks met 450 uit te breiden. De 2.950 van nu zijn echter al nauwelijks meer in één band te vatten. Volgend jaar zal het werk dan ook uit 'een setje van twee' bestaan.