Federaal Europa zal een ondemocratisch Europa zijn

De komst van een federaal Europa wordt in Nederland aanvaard met een gelatenheid alsof het even onvermijdelijk is als een natuurramp. Zelfs volksvertegenwoordiger Maarten van Traa (12 oktober), doet iedere twijfel aan een federaal Europa af als “opium van de tovenaarsleerling” die niet in 'ons' belang is, zonder zich af te vragen waar het woordje 'ons' nog naar verwijst, indien 'wij' opgaan in de vaart van het Europese volk.

In Engeland is men, zoals bekend, minder enthousiast over toetreding tot een federaal Europa. De Britse conservatieve partij is verdeeld, Labour is verdeeld en ook de Liberal Democrats kennen één dissident in hun kleine partij in het Lagerhuis.

De afgelopen weken hielden de Britse politieke partijen hun jaarlijkse congressen en Van Traa, voorzitter van de Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken, heeft ze gevolgd. Hij constateert een groeiende euroscepsis bij de conservatieven, waarvoor hij niet veel begrip heeft. Uit zijn weergave van dit standpunt blijkt ook dat hij er niet veel van begrijpt.

Eerste misvatting: de Britse eurosceptische houding komt voort uit nostalgie. Dit is onjuist. De belangrijkste reden om te twijfelen aan toetreding tot een federaal Europa is dat in een dergelijke superstaat democratische beginselen niet gegarandeerd kunnen worden. Het is onduidelijk aan wie de Europese commissie verantwoording moet afleggen en wat de rol van het Europese parlement is; het is onduidelijk wat de rol van de nationale partijen in een federaal Europa zal zijn; het is derhalve onduidelijk wat de toekomst van de democratie in een federaal Europa is.

Deze overwegingen zijn niet door nostalgie ingegeven, al is het waar dat Britse politici door het districten-kiesstelsel zich meer bewust zijn van het feit dat zij bereikbaar moeten zijn voor de kiezers en direct door hen kunnen worden aangesproken. Bij wie moeten de kiezers aankloppen in een federaal Europa? Bij Hedy d'Ancona of Maij-Weggen of toch bij Van Traa en zijn collega's?

Tweede misvatting: de eurosceptici worden alleen in de conservatieve Tory-partij aangetroffen. Dit is niet waar. Alle politieke partijen zijn verdeeld, Labour incluis. De discussie in die partij is verstomd, omdat Tony Blair coûte que coûte de verkiezingen wil winnen. Zodra Labour gaat regeren zullen de eurosceptici van die partij zich roeren. De bewering van Van Traa dat het zeker is dat het onder Labour “veel beter zal zijn dan wat er nu gepresteerd wordt”, is daarom een slag in de lucht.

Derde misvatting: het zou in het Britse eigenbelang zijn om toe te treden tot een federaal Europa. Dit is zeer de vraag. Groot-Brittannië heeft de sociale paragraaf uit het verdrag van Maastricht niet ondertekend. Dat de andere Europese landen dit hebben toegestaan is onbegrijpelijk. Bedrijven die onder andere omstandigheden wellicht in Nederland zouden hebben geïnvesteerd, trokken naar Groot-Brittannië vanwege de lagere loonkosten. Het gaat goed met de Britse economie onder leiding van John Major en Kenneth Clarke: minder inflatie, minder werkloosheid, meer nieuwe ondernemingen.

Waarom zou Groot-Brittannië het pond opgeven voor de EMU? Men is het trauma van Black Wednesday nog niet vergeten, toen het pond door de speculanten uit het EMU-stelsel gedreven werd. Anders dan de gulden kan het Engelse pond niet slaafs de Duitse mark volgen. Het is daarom onduidelijk of het accepteren van de EMU en het toetreden tot een federaal Europa het Engelse belang dienen.

De Britse eurosceptische houding blijkt dus niet een folkloristisch, maar een redelijk standpunt waar goede argumenten voor te geven zijn. Die argumenten zijn zó goed, dat de Nederlandse kiezer zich de vraag moet stellen of het wel zo verstandig is om haantje de voorste op die Europese hoge-snelheidslijn te willen springen. Er zijn overwegingen om daar aan te twijfelen.

Ten eerste: nog niet zo lang geleden geloofden politici in de maakbaarheid van de samenleving. Een federaal Europa is echter de belichaming van de gedachte dat economische ontwikkelingen centraal geleid zouden kunnen worden. Dit kan niet, zie de Sovjet-Unie, dus is het onbegrijpelijk dat het idee van een federaal Europa doorgezet wordt.

Ten tweede: economie is geen natuurwetenschap, maar een menswetenschap. Economische wetten zijn geen natuurwetten, maar empirische generalisaties. Economische modellen zijn aan verandering onderhevig en verschillen van instituut tot instituut. Het is derhalve goed mogelijk dat een nationale regering andere economische opvattingen huldigt dan de Europese commissie of de centrale Europese bank. Stel dat een nationale regering gekozen wordt die een neo-Keynesiaans programma voorstelt om de werkloosheid te bestrijden. Om die reden laat zo'n regering het begrotingstekort oplopen om een actieve rol in de economie te kunnen spelen. In het huidige Europa wordt zo'n regering gecorrigeerd door de Europese commissie, omdat zij de criteria voor Maastricht niet haalt. Gezien de onmacht van het Europese parlement betekent dit dat de kiezers van dat land geen invloed meer hebben op het economische beleid dat in hun land gevoerd wordt. Dit is ondemocratisch.

Ten derde: eurosceptici worden vaak als conservatief en rechts afgeschilderd. Er zijn echter ook linkse argumenten te geven tegen toetreding tot een federaal Europa. In Nederland bestaat een goed sociaal verzekeringsstelsel. Het is niet ondenkbaar dat dit stelsel aangepast moet worden, omdat het zoveel beter is dan in de overige landen van Europa. Willen we een slechter sociaal verzekerings-stelsel, omdat toetreding tot een federaal Europa zo belangrijk is?

Ten vierde: het opkomst voor de verkiezingen van het Europese parlement bedroeg in Nederland slechts zo'n dertig procent. Dit is lager dan waar ook in Europa. Door dit lage opkomstpercentage was de verkiezingsuitslag niet representatief en Nederland wordt in het Europarlement dan ook niet representatief vertegenwoordigd.

Waarom zo'n laag opkomstpercentage? Die vraag zouden voorstanders van een verenigd Europa zich eens dienen te stellen. Europa leeft niet bij de kiezers, omdat de kiezer niet weet wat het Euro-parlement doet; omdat niemand weet wie politieke verantwoordelijkheid draagt in een federaal Europa; omdat de media geen controle kunnen uitoefenen op de Euro-politici aangezien ook journalisten niet weten waar ze aan toe zijn.

Het is zorgelijk dat Van Traa zich deze vragen niet stelt. Hij vindt de rechten van het Europese parlement “een thema dat geregeld moet worden”, maar bedenkt zich niet dat hij zo het paard achter de wagen spant. Eerst dienen de democratische beginselen zo duidelijk te zijn, dat ook de domste kiezer hen kan begrijpen. Voor het zover is, moeten we geen stap verder gaan met een verenigd, federaal Europa.