Een traag en weelderig genot; 2500 jaar baden in het Museum voor Volkenkunde

Zelfs de ruïnes van de thermen in Rome en Pompeï zijn nog overrompelender dan de mooiste hedendaagse zwemparadijzen. In het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam opent vandaag een expositie over het badhuis in verschillende culturen: van de Griekse gymnasia tot de islamitische hammams. In Boedapest en Istanbul baadt men nog steeds tussen eeuwenoude koepels en zuilen. Turken en Marokkanen herintroduceerden het badhuis in Nederland. “Huid die gewoonlijk alleen maar is, weet weer dat hij ook kan voelen.”

Het badhuis. Badcultuur in Oost & West. Museum voor Volkenkunde, Willemskade 25, Rotterdam. T/m 1 juli 1977. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Marjo Buitelaar en Geert Jan van Gelder: Het badhuis, tussen hemel en hel. Uitg. Bulaaq, 256 blz. Prijs ƒ 39,50.

Tussen het zand is weinig meer te zien. Wat stenen op elkaar gestapeld, wat zuilen overeind getrokken. Misschien stonden die stenen en zuilen wel nooit op die plek en werden ze jaren geleden van elders aangevoerd om de toeristische verbeelding een handje te helpen. Want wie de ruïnes nareist van wat eens groots en meeslepends was, verlangt naar het tastbare houvast dat boeken niet kunnen geven, desnoods naar een handvol gruis of wat zuilen.

Dankzij die gruzelementen kan men zich aan de Tunesische kust nog steeds even een Romeinse vakantieganger voelen. Op een galei is net de onberekenbare Middellandse Zee getrotseerd om in de verte, daar waar de eerste palmen naar de zon wuiven, eindelijk het tientallen meters hoge, blankmarmeren badhuis van Carthago te zien oprijzen. Onder de koepels, tussen de galerijen en op de verwarmde vloeren vond de Romeinse toerist wat hij van huis uit al kende: koude dompelbaden, natte zweetruimtes, zwembaden, atletiekbanen, poeder- en ontspanningszalen, bokshallen, massageruimtes, bibliotheken en ook nog een soort aula waar lezingen en voordrachten werden gehouden. Een tevreden leven bestond uit eten, drinken, vrijen en baden.

De mozaïeken van weleer zijn inmiddels opgeborgen in het Bardo Museum van Tunis. Fonteinen en bassins vergingen tot stof en wie over het vergane 'Kurhaus' van Carthago wil fantaseren, moet maar naar de thermen van Rome of Pompeï, die ondanks hun rudimentaire voortbestaan een hedendaags zwemparadijs als het Rotterdamse Tropicana degraderen tot een snol in zijn soort.

Laten we dus vooral niet denken dat het ultieme fitness- en saunagevoel van nu iets nieuws is. Ter intensivering daarvan zijn dit decennium alleen wat ruk- en duwapparaten ontworpen. De Grieken werkten al nauwgezet aan hun 'bodyshape'. In het gymnasium namen de atletische patsers zo'n drieduizend jaar geleden ruim de tijd om hun lichaam te wassen, te schrapen, te oliën, te trainen en te ontspannen. In het balaneion, het openbare badhuis, konden de minder Spartaanse burgers terecht en dat deed men dan ook diverse keren per dag. Tussen het zweten en stomen door was er gelegenheid te roddelen, zaken te doen en eens te informeren bij de bad-buurvrouw hoe het haar gelukt was om die klierige puberzoon weer op het rechte spoor te krijgen.

Körperkultur

De Romeinen namen die Griekse 'Körperkultur' in een ietwat minder naakte vorm over en achtten het zelfs noodzakelijk dat elke legerplaats van het imperium met een badhuis werd uitgerust. Kijk maar naar Heerlen - en wat is Heerlen nou helemaal op de Romeinse atlas! - en zie wat daar gevonden is: een hypocaustum, dat ingenieuze systeem van Romeinse vloerverwarming dat in zijn archeologische oervorm op een kruipkelder met hindernissen lijkt.

In het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam is nu een inzichtelijke maquette van dat Heerlense fitness-centre tentoongesteld. Het maakt deel uit van een charmante tentoonstelling over het badhuis uit de klassieke en islamitische oudheid. Vandaar heeft het museum een lijn doorgetrokken naar de kille negentiende- en twintigste-eeuwse badhuizen in Nederland, waar de jeugd van de jaren vijftig nog 'commandobaden' diende te nemen, en naar de huidige islamitische hammams, die als een plek tussen kuuroord en schoonheidssalon in, steeds meer autochtone populariteit genieten.

In glazen vitrines, ingedeeld met kleurloos, geribbeld plastic dat op stromend water wil lijken, liggen in Rotterdam de veelal negentiende-eeuwse gebruiksvoorwerpen uitgestald: Turkse kannen en ketels van getind koper voor de wateraanvoer, Indonesische kommen en schalen, eveneens van elegant bewerkt koper, om zichzelf een stortbad te bezorgen, Iraanse spiegels en sierdozen om de roodbruine uitwerking van het groenige hennapoeder te inspecteren, want henna brengt geluk en biedt bescherming tegen het boze oog dat als noodlot altijd op de loer ligt.

Behalve de mens, kreeg vroeger ook elk voorwerp nog de aandacht die het verdiende. Oosterse handdoeken van zijde of linnen waren een barok gouddraad-borduursel waard. Het deksel van een Iraanse lakdoos dat vroeger een preuts geschilderd bloemboeket vertoonde, werd ter verhoging van de commerciële waarde, later omgekeerd. De museumbezoeker kijkt nu de 'scabreuze' intimiteit waar aanvankelijk alleen de gebruikster van mocht genieten: naakte en zwaar gesluierde vrouwen, die tussen de schemerige nissen druk met zeep in de weer zijn.

Was de rug eenmaal drooggewreven, dan maakten in de hammam de sprenkelaars van rozenwater of oranjebloesemwater hun opwachting, dan moest er onthaard worden met een mengsel van suiker en citroensap en dan kwam het geneeskrachtig kohlpoeder tevoorschijn. Deze oog-make-up bewaarde men in sierlijke houders van zilver, leer, hout of ivoor en dankzij een particuliere schenking kan het museum nu vele tientallen variaties tentoonstellen; van mini-'trofeebekertjes', met levensboompjes als deksel, tot hulsjes van zebravel.

Keramische kip

De vroegste stukken op deze expositie, bruiklenen van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, zijn een 2500 jaar oude, keramische kip en egel, gevonden op Rhodos. Minuscule olie- en zalfflesjes die men net als een gastzeepje onzichtbaar in de handpalm kon meenemen. Zoals er al sinds de Romeinse beschaving geen nieuwe vismethoden zijn ontwikkeld, zo blijkt na twee millenia ook aan pincetten, epileertangen en haarspelden niets te zijn veranderd. Gelukkig is wèl het schraapijzer volledig verdwenen; een soort holle, ronde haak met de doorsnee van een flinke kuit, die eerder in een abattoir dan een massage-salon thuishoort. Het mooiste voorwerp is een onooglijk kommetje uit het tiende-eeuwse Syrië. Zodra er op tafel water in stond, deden een visje en drie vogels, met scharniertjes aan de bodem bevestigd, net of ze levensecht waren, en zo konden ook de minder bedeelden van een eigen fonteintje met fauna genieten.

Het merendeel van de tentoonstelling belicht het islamitische badhuis. Over deze belangrijkste oosterse ontmoetingsplaats na de minaret en moskee, gaat ook voornamelijk het vandaag gepresenteerde boek Het Badhuis, tussen hemel en hel. Een hemel, omdat het water als fysieke weldaad ook reinheid van geest betekent, zoals Mohammed wenst, omdat het intimiteit schept en een bijna zeldzaam geworden 'mijn-is-dijn'-gevoel. Een hel, omdat er morele en fysieke gevaren dreigen, zedenloze gedachten opdoemen en omdat juist op deze verhitte plek, waar men naakt zo kwetsbaar is, kwade geesten huizen, die vroeger met amuletten en met het dragen van krankzinnig hoge sandalen moesten worden ontlopen.

Het bijgeloof mag dan zijn afgenomen, aan de islamitische wetgeving, die een kleine wassing (gezicht, armen, ellebogen en een natte hand over hoofd en voeten) voorschrijft voorafgaande aan elk gebed, wordt nog steeds streng de hand gehouden. 'Reinheid is de helft van het geloof', meende de profeet Mohammed. Vandaar ook dat islamieten, van Marokko tot Indonesië, een grote wassing uitvoeren vòòr een feest, na een bevalling of sterfgeval en na ongesteldheid of vrijen. En voor zo'n uitgebreide wasbeurt brengt menigeen een bezoek aan een hammam.

Het boek, dat zowel de medische en Riagg-achtige aspecten alsook de Arabische bellettrie over badhuis-liefdesperikelen aan de orde stelt, wordt geïllustreerd met schilderijen die op de tentoonstelling helaas alleen als reprodukties aanwezig zijn. In de negentiende eeuw leefden Franse oriëntalistische schilders als Jean-Léon Gérôme, Paul-Louis Bouchard en Edouard Debat-Ponsan zich uit in exotische en erotische taferelen uit harems en hammams, waar zij zelf geen voet mochten zetten. Naakte vrouwen liggen gewillig met een waterpijp of kopje thee in de Perzische kussens larmoyant lui te zijn, ze poedelen wat tussen stoom en wierookwalmen of laten zich verzorgen door zwarte 'slavinnen'.

Hoewel verre van 'politiek correct', ensceneerden de schilders het trage en weelderige genot waar menig reiziger naar de gruzelementen van de oudheid nog steeds zo graag over fantaseert. Die ene achttiende-eeuwse Britse dame mag zich dan in de Turkse hammam een gepelde garnaal hebben gevoeld, zoals zij zelf schreef, haar oosterse soortgenoten waanden zich godinnen.