Een marionettenspeler verliest zijn touwtjes

Hugo de Ridder: Jean-Luc Dehaene, met commentaar. Lannoo, 280 blz. ƒ 39,50

Jos Bouveroux: Van Zwarte zondag tot zwarte zondag. Icarus, 234 blz. ƒ 34,95

De 'witte mars' waarmee honderdduizenden Walen en Vlamingen afgelopen zondag hun ongenoegen over het nationale establishment uitten, heeft de Belgische politiek danig in beroering gebracht. Zoveel emotie en massaal protest heeft het land zelden meegemaakt, ook al komt België zelf voort uit spontaan protest tegen de Hollanders. Na een opvoering van het toneelstuk 'De Stomme van Portici' in de Muntschouwburg op 25 augustus 1830 trok het publiek de straat op en de Opstand - in België 'de revolutie' genaamd - was een feit.

Zondag ging het om een stille revolutie, om de witte mars van de kinderlijke onschuld. Maar de a-politieke betoging met witte papieren hoedjes, witte kleren en soms witgeschilderde gezichten had wel degelijk een politieke boodschap, al waren het dan geen partijmilitanten met wapperende vlaggen, zoals tijdens het Brusselse vakbondsverzet in de jaren zestig. Zondag waren het gewone burgers die een luide kreet van protest lieten horen. Het ging hen allang niet meer alleen om de afgezette onderzoeksrechter Connerotte - het hele bestel zat in het beklaagdenbankje. Een staat die niet bij machte blijkt de eigen kinderen te beschermen tegen pornografen en moordenaars heeft in de ogen van de burgers zijn gezag verspeeld. De brave burger ging de straat op om 'de dikke nekken' - zoals hoge politici en bestuurders worden genoemd - aan de paal te nagelen.

Aan de vooravond van de Antwerpse boekenbeurs sluiten nieuwe boeken van twee Belgische schrijvers onbedoeld aan bij deze actualiteit. De Vlaamse auteur Hugo De Ridder, auteur van vele titels over de Belgische politiek, schreef een biografie over premier Jean-Luc Dehaene, de man die nu in het centrum van de politiek staat. En Jos Bouveroux schetst de achtergrond van Zwarte Zondag, 24 november 1994, toen het extreem-rechtse Vlaamse Blok oprukte in de parlementsverkiezingen. Hij waarschuwt voor een nieuwe Zwarte Zondag als de politiek geen ingrijpende hervormingen doorvoert. De burger, die in België verplicht is te stemmen, deserteerde toen massaal uit het democratische bestel. Herhaling daarvan is niet ondenkbaar, want de stap van a-politiek naar anti-politiek is snel gemaakt. De witte zondag van de vermoorde onschuld kan makkelijk omslaan in een nieuwe zwarte zondag van ressentiment en frustratie.

De Ridder op zijn beurt neemt een risico met zijn biografie over een politicus die nog in functie is. Hij schetst het beeld van een Dehaene die gekneed is in het milieu van de kabinetschefs en die de politiek vooral technocratisch bedrijft. Dehaene trekt aan touwtjes, en het politieke raderwerk komt in beweging. Zo is hij van plan België, bijna volgens militair plan, naar de Europese Muntunie in 1998 te loodsen, waarbij het parlement via volmachten het toekijken heeft.

Maar nu is België opgeschrikt door de kinderporno-zaak rond Dutroux en het vervolg op de moord op socialistenleider André Cools. Het land kolkt van de volkswoede en de premier weet eigenlijk niet wat hij moet doen. Toen de Belgen al ziedend waren over de zaak-Dutroux, medio augustus, bleef Dehaene gewoon op vakantie in Sardinië. Ook nu trekt hij aan touwtjes, maar het helpt niet meer. Het boek van De Ridder is dus nog niet af. Het laatste deel moet de geschiedenis nog schrijven.

Toch geeft De Ridder een boeiend en leerzaam inkijkje in de loopbaan van de psychiaterszoon Dehaene, en daarmee in de werking van de oude Belgische politiek. Dehaene werd geboren op 7 augustus 1940 in het Franse Montpellier. Zijn ouders waren op de vlucht voor de Duitse bezetters. Hij groeide op in het Brugse milieu van sjieke Franssprekende Vlamingen - nog altijd is Brugge zijn stad: als Club Brugge voetbalt, is Dehaene op de tribune en onbereikbaar voor afspraken.

Dehaene doorliep een voor de gevestigde generatie politici klassieke route: hij studeerde rechten in Namen en Leuven, en was actief in het Vlaams Verbond van Katholieke Scouts (VVKS). Daarna kwam hij terecht bij de studiedienst van het ACW, de Algemene Christelijke Werkersbond. Dit is de koepel van de christelijke vakvereniging en tegelijk een belangrijke schakel in de christen-democratische partij CVP.

Als politicus was de non-conformistische Dehaene, vaak gekleed in een coltrui, aanvankelijk geen succes. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van Vilvoorde werd hij in 1970 niet gekozen, evenmin als bij de parlementsverkiezingen van 1971. Dehaene hoorde bij politici van het slag Martens, Tindemans en Van Rompuy, maar bleek geen stemmentrekker. Hij werd kabinetschef van ministers en speelde tien jaar lang de man achter de schermen. Hier vond hij zijn stijl en leerde hij het politieke handwerk. De naam Dehaene werd synoniem voor hard onderhandelen, duwen en trekken tot het gewenste resultaat. Hij bleek daarbij nogal autoritair. 'We meden hem in de gangen en hadden medelijden met zijn secretaresses die soms hun tranen de vrije loop lieten', zegt een kabinetslid aan De Ridder. 'Jean-Luc liet merken dat hij sommige vergaderingen puur tijdverlies vond en bij feestjes trok hij zich snel terug met de mededeling: ik ga serieuze dingen doen.' Hij vormde zijn karakter als regelchef van een minister; als doener. 'In mijn ogen was hij een soort bullebak', zegt een toenmalige collega. 'Je moest op je tellen passen dat hij niet de vloer met je aanveegde. Toen belde hij een keer: verdomme, ik had je nog zo gezegd. Toen ik merkte dat hij zich had vergist, belde ik in dezelfde krachttermen terug'. Er is maar één wet in de omgang met Dehaene: niet bang zijn.

Nog altijd is Dehaene wars van protocol; ooit liet hij zich tijdens de militaire parade op 21 juli, de nationale feestdag, met een blik op de troepen tegenover de stafchef ontvallen: 'Met die bollentuin kom je wel twee oorlogen te laat.' Toch was dezelfde Dehaene ook een echte groepsleider toen koning Boudewijn in 1993 overleed en hij binnen enkele dagen een staatsbegrafenis moest organiseren. Zijn directheid maakt hem ook authentiek. Tegen de parlementaire pers kan hij uitvallen met opmerkingen als: 'Gij wordt betaald om uw gazet te vullen en ik om het land te leiden. Het een is niet noodzakelijk even belangrijk als het andere.'

De toenmalige premier Martens kon zijn vele regeringen op de been houden, dankzij de trekkracht van Dehaene. Martens 'zat problemen uit', maar Dehaene praatte net zolang tot een compromis uit de bus kwam. 'Hij was minister en kabinetschef tegelijk', aldus De Ridder.

Na de verkiezingsuitslag van 24 november 1991, toen het Vlaamse Blok opkwam als grote partij, bleek de Belgische politiek niet meer om Dehaene heen te kunnen. Martens wilde eventueel blijven zitten, maar werd opzij geschoven als symbool van de oude macht. Over de achtergronden van die 'Zwarte Zondag' heeft De Ridder niet veel te melden. Hier komt het boek van Bouveroux als verklaring te pas, want de verkiezingsuitslag sloeg diepe wonden. Bouveroux, een kundige verslaggever van de BRTN, maakt een toer door de achtergronden die - bijna onafwendbaar - naar 21 november leiden. De crisis van eind jaren zeventig, toen België in enkele jaren de grootste staatsschuld van Europa opbouwde, het harde herstelbeleid daarna, en de val van de Berlijnse Muur die een immigratiegolf teweegbracht.

Bouveroux toont hoe het Vlaams Blok, dat zich in 1978 afscheidde van de Volksunie, jarenlang een kwijnend bestaan leidde totdat partijleider Karel Dillen een jonge garde aanstelde, die het nieuwe thema vond: de migranten. Het Vlaams Blok werd met de leus 'Eigen Volk Eerst' een 'zweeppartij' en zoog het hele politieke spectrum naar rechts. Jean-Luc Dehaene werd in 1992 de premier van een soort noodregering in vredestijd. De eeuwige kabinetschef was premier geworden, maar zijn succes bleef onzeker: van de vijftien ministers in Dehaene-I waren er na vier jaar nog drie over. De rest was vervangen, of ten val gekomen in een reeks schandalen, zoals de Augusta-smeergeldaffaire. Het duurde dan ook erg lang voor Dehaene greep had op de politieke agenda.

Het was de Nederlandse ex-premier Ruud Lubbers die Dehaene, onbedoeld, echt populair maakte. Beiden waren in 1994 kandidaat om voorzitter te worden van de Europese Commissie. De Duitse kanselier Kohl had een voorkeur voor Dehaene, en Lubbers begon zijn strijd tegen 'het dictaat van Bonn'. De Ridder laat de strijd de revue passeren, en sprak met deelnemers aan de Europese Top op het Griekse eiland Korfoe, waar de beslissing moest vallen. Dehaene stuitte op het veto van Engeland, maar Lubbers werd het evenmin.

Dehaene had intussen Herman van Rompuy, de huidige minister van Begroting, als opvolger naar voren geschoven, maar het hoefde al niet meer. Hij kwam terug van Korfoe als 'grote held in eigen land'. Ineens werd hij wat hij nooit was geweest: een stemmentrekker, en daarmee de grootste troef van de CVP. In de parlementsverkiezingen van 1995 haalde hij een recordaantal stemmen. Dehaene werd 'sterke man' van België. Maar hij hield de mentaliteit van een kabinetschef, die alles wil controleren en beheersen.

De Ridder gaat helaas op de schaduwkanten van deze aanpak amper in. De 'kabinetten-geest' van Dehaene maakt hem geen gerespecteerd medespeler in de parlementaire democratie. Hij vindt optreden in het parlement eigenlijk 'tijdverlies'. Dehaene, gevormd door de Belgische bureaucratie die opereert achter gesloten deuren, was dan ook nooit zelf parlementariër. Hij bestuurt de Belgische staat bij voorkeur via 'volmachten', waarmee hij de Kamer terzijde kan schuiven.

De rooms-rode coalitie bleef intussen gewoon zitten en de liberalen gromden op de oppositiebankjes. Tussen 1991 en 1995 was maar weinig terechtgekomen van de vernieuwingen en hervormingen die de burger, onder druk van het Vlaams Blok, waren beloofd. Na de stembusuitslag van 1995 zette de restauratie in. De oude partijen hadden liever macht dan vernieuwing. Het werd business as usual in België, met het cynisme dat de parlementaire Wetstraat in Brussel kenmerkt. Dehaene, de man van de mechanische politiek, haakte op de restauratie-golf in. Hij kon weer, als weleer, aan de touwtjes trekken.

Zo leek alles bij het oude te blijven: de zuilen heersten weer en de burger toonde zich niet geïnteresseerd. Totdat de gruwelkelder van Dutroux aan het licht kwam. Ineens merkt nu ook de christen-democraat Dehaene dat een volk niet leeft bij brood alleen.

Volgens Bouveroux koerst België sinds de restauratie na 1995 af op een nieuwe Zwarte Zondag, omdat de burger nu geheel vervreemd is geraakt van het bestel. De liberalen zijn verdeeld in twee kampen, de socialisten imiteren bijna het migratiebeleid van het Vlaams Blok, terwijl de christen-democraten in cynisme wonen en de Franstalige PS zich vastklampt aan de macht in Wallonië. Een 'illusie' noemt Bouveroux deze restauratie - afgelopen zondag kreeg hij gelijk.