Een borrelende smeltkroes van stijlen

Abdelkader Benali: Bruiloft aan zee. Vassallucci, 160 blz. ƒ 34,90

Terwijl de meeste Nederlandse schrijvers pas debuteren rond hun dertigste, of zelfs ver daarna, duikt onder de tweede generatie allochtonen sinds een jaar of wat de ene schrijver na de andere op die nog maar net, of nog niet eens, meerderjarig is. Hans Sahar was eenentwintig toen zijn eerste boek (de roman Hoezo bloedmooi) verscheen. Naima El Bezaz (De weg naar het noorden, roman) was twintig en Mustafa Stitou (Mijn vormen, poëzie) pas negentien.

Het is geen reden om het stel meteen tot stroming uit te roepen - sowieso altijd een hachelijke onderneming, want een goede schrijver staat voor niemand anders dan zichzelf (en mogelijk zelfs dat niet). Maar ik maak me sterk dat hun vroegrijpheid, of in elk geval hun haast, iets te maken heeft met hun achtergrond. Met een gemeenplaats van jewelste: ze zijn opgegroeid in twee culturen, westers en Arabisch, christelijk en islamitisch, en ze moeten die tot één zien te versmelten. Wie geen ondubbelzinnig thuis heeft, moet er zelf een maken, met andere woorden, en hoe sneller hoe liever.

Dat ze daar de taal voor gebruiken, en daar begint de literatuur, ligt misschien wel voor de hand. De normen en de waarden van hun beide werelden, de do's en don'ts, liggen allemaal opgeslagen in woorden en in stiltes tussen woorden, in verzwijgingen en dubbelzinnigheden. Taal is moraal. Wie macht over de taal heeft, heeft macht over zijn wereld, en wie meer dan één wereld heeft, die kon wel eens meer dan anderen behoefte hebben aan die macht. Als allochtoon heb je er alle belang bij je taalgevoel te scherpen tot een zesde zintuig, stel ik me voor, en de taal naar je hand te leren zetten. Eigen taal is eigen moraal is eigen wereld.

Om die macht van de taal, vermoed ik, gaat het ook Abdelkader Benali, de jongste telg van deze schrijvende familie, wederom pas eenentwintig jaar. Hij schrijft zoals een mixer mixt. Tradities, genres, oosters, westers, hij gooit alles door elkaar en roert het tot een borrelende melting pot van stijlen. Flarden Berbers of Arabisch of een gruwzame vertaling uit het Engels ('bij de weg') of jargon van het Internet, voor hen zijn er klaarblijkelijk geen vloekende taalregisters. Als een oude Marokkaanse dorpsverteller is hij, op het babbelzieke af, maar met de tekstverwerker als kampvuur.

Het verhaal dat hij in Bruiloft aan zee vertelt, via een 'ik' die het van horen zeggen heeft, is dat van Lamarat Minar, een jongeman van twintig jaar die vanuit Nederland met zijn familie terugkeert naar het dorp van zijn geboorte, Touarirt, een vlek aan zee. Zijn zusje zal daar trouwen met een oom van hen, dat ligt althans in de bedoeling, maar wanneer het dorpje volgelopen is met gasten blijkt de bruidegom er tussenuit gepiept te zijn. Waarheen? Aan Lamarat de taak hem op te sporen en de eer te redden, die van zijn zus, zijn vader, zijn familie. De traditie staat op het spel.

Maar die traditie, daar heeft de jongen weinig meer mee op, na een jeugd in Nederland - en de schrijver boven zijn hoofd klaarblijkelijk al evenmin, want van het Marokkaanse leven in ons land laat Bruiloft aan zee niet bar veel heel. Een stinkende wc met stront op alle muren en een stinkend klaslokaal met dertig tot zestig jochies, dat is wat Lamarat nog bijstaat van koranles. En het moederland, dat is voornamelijk de plek waar vader af en toe een koelkast heenstuurt, of een stapel tuinstoelen met knikkende plastic poten die hij zich heeft laten aansmeren door lepe deurverkopers.

Dat verval van de traditie is de zware ondertoon van deze overigens sprookjesachtige en licht getoonzette roman. Ook in Marokko zelf, na aankomst, blijkt het één en al erosie en onttakeling. Het dorpje Touarirt is met de jaren nagenoeg ontvolkt geraakt, door alle trekkers naar het noorden, en de reden dat de achtergebleven oom zo graag wil trouwen blijkt te zijn dat hij dan eindelijk zal kunnen volgen. Een naburig dorpje blijkt uitgegroeid tot een mondain oord waar de trekkers naar het noorden met hun harde guldens en marken huizen laten bouwen voor de zomer, als vakantiewoning. Landgenoten in het buitenland, daar teert de streek nu op, en juist de dagen van de bruiloft verbrandt de laatste bamboe in de zon.

Bij die bruiloft komen alle spanningen van het verwesterste bestaan ten slotte tot ontlading, misschien wel juist omdat het ceremonieel zo graag de schijn van de traditie op zou houden. Een ontwortelde bruidegom die weg wil uit Marokko, een vernederlandste bruid die naar het zich laat aanzien helemaal niet terug wil naar Marokko, haar familie die dat wel wil maar alleen om haar daar achter te laten - het kan niet goed gaan en het is een wonder dat het huwelijk uiteindelijk nog wordt voltrokken. Ik zal niet zeggen hoe, maar oost en west worden verenigd.

Zo ben ik althans geneigd dat slot te lezen. Maar het moet gezegd, Benali weeft door zijn intrige tal van andere motieven. Over lust gaat het, die van de oom in het bijzonder en die van de man in het algemeen, en over schande, schaamte, vrijheid, weemoed. En dan zijn er nog vertelsels die geheel op zich lijken te staan, vooral over het leven van Lamarat. Juist bij hem, het hart van de roman, raakt het verband soms zoek en raak je op den duur je focus kwijt. Is hier nog wel een kern?

Een soortgelijke verwarring wekt Benali's taal, dat amalgaam van eigen makelij. Hij kauwt op elk woord, hij proeft en geniet, dat blijkt uit alles, het plezier spat er vanaf. Hij vertelt verhalen ook gerust een tweede keer, alsof je nog van niets weet, en verlustigt zich in zijn botsende taalregisters. Hij doet lekker wat niet hoort, kortom, en dat is leuk. Maar soms is lastig uit te maken of hij echt heeft bedoeld wat hij doet. Ik twijfel wel eens of een scène vol gekeuvel schilderachtig Marokkaans is, orale verteltraditie, of gewoon mislukt.

Wat hier nog mist, om kort te gaan, is dwingende vorm en concentratie. In zijn taalkunst en verbeeldingskracht doet Bruiloft aan zee wel denken aan verhalen uit De voeten van Abdullah van Hafid Bouazza, totnogtoe veruit het sterkste boek uit de oogst aan jonge medelandse schrijvers. Het verschil is alleen dat Bouazza merkbaar ouder is (een jaar of zes, wat hem in dit verband een grand old man maakt) en zijn taal en thema's een veel dwingender kracht weet mee te geven. Maar talent genoeg, bij Benali. En die jaren? Die komen vanzelf.