Doorluchtige schilders

Karel van Mander: Het schilderboek. Het leven van de Nederlandse en Hoogduitse schilders in de vijftiende en zestiende eeuw. Herziene editie door J.L. de Jong e.a., Wereldbibliotheek, 412 blz. ƒ 59,50

Het schilderboek van Karel van Mander is een kunsthistorisch monument. Vier eeuwen na zijn verschijnen speelt het net als zijn voorbeeld, De levens van de kunstenaars door de Italiaan Vasari, nog een vanzelfsprekende rol in de bestudering van de beeldende kunst van de vijftiende en zestiende eeuw. Voor het eerst sinds de Wereldbibliotheek-uitgave van Mirande en Overdiep uit 1936 (en daarop gebaseerd) is nu weer een moderne, voor gewone lezers toegankelijke editie van het Schilderboek. Niet van het hele werk, dat ook delen bevat over theoretische onderwerpen en over Italiaanse kunstenaars, maar van het deel dat is gewijd aan de Doorluchtighe Nederlandtsche en Hoogduytsche Schilders. Dit begint met een hoofdstuk over de gebroeders Van Eyck, in 1370 en 1390 geboren, en eindigt met figuren als David Vinckboons, die toen het Schilderboek verscheen, in 1604, ongeveer dertig jaar waren. Toegevoegd is de onderhoudende levensbeschrijving van Karel van Mander zelf, die bij de herdruk van het boek in 1618 bleek te zijn toegevoegd. De schrijver was toen al twaalf jaar dood.

Van Mander, in 1548 geboren in het Vlaamse dorp Meulebeke, paarde volgens zijn naamloze biograaf begaafdheid in de dichtkunst en de letteren aan een beminnelijk, hoewel plagerig karakter. Met het voorbereiden van zijn Schilderboek moet hij al begonnen zijn toen hij in Italië verbleef, van 1573 tot 1577. Hij heeft daar nog net Vasari kunnen ontmoeten, wiens Vite van 1550 al beroemd waren. Na een tiental jaren in Vlaanderen, waar de pest en het Spaanse leger regelmatig voor onrust zorgden, verhuisde hij naar Holland; hij stierf in 1606 te Amsterdam.

Van Mander was een ontwikkeld man; hij beijverde zich voor het verspreiden van artistieke ideeën en legde vele contacten tussen kunstenaars. Zijn werk als schilder, tekenaar en etser - waaraan het Museum Boijmans Van Beuningen op het ogenblik (tot en met 1 december) een kleine expositie wijdt - is altijd in de schaduw blijven staan van zijn geschreven werken, en dan vooral van het Schilderboek; maar dat is dan ook een schaduw van formaat.

Het Schilderboek is niet het enige boek in zijn soort dat de laatste jaren opnieuw is uitgegeven. Er is duidelijk meer belangstelling voor de levens van kunstenaars dan een generatie geleden. In 1990 zag een nieuwe Nederlandse vertaling van Vasari's Vite door Anthonie Kee het licht; die is nu in een pocketeditie (Pandora) te koop. En van Houbrakens De Grote Schouwburg (1720) verscheen vorig jaar een bescheiden Griffioen-uitgave (Querido), met daarin onder andere de befaamde beschrijving van het chaotische leven van Jan Steen.

Ook in een ander opzicht bevestigt de heruitgave van het Schilderboek recente ontwikkelingen in de (Nederlandse) kunstgeschiedenis. Het beeld van Nederland als Land van Rembrandt, als land met een geheel eigensoortige schilderkunst met een vrome, huiselijke inslag is immers aan het afkalven. Tentoonstellingen als Dageraad der Gouden Eeuw (Rijksmuseum, 1993/4) en Het gedroomde land (Centraal Museum, 1993) hebben aangetoond hoe levendig en vruchtbaar de contacten waren tussen de kunst in de Nederlanden en die in Italië, Duitsland, Oostenrijk en Bohemen.

De kunstenaars die Van Mander beschrijft gingen, als zij ook maar een beetje ambitie hadden, op reis om de beste voorbeelden en de voornaamste opdrachtgevers te zoeken die in Europa te vinden waren. Schilders wier namen de hedendaagse museumbezoeker niet zoveel zullen zeggen, zoals Bartholomeus Spranger, bekleedden topfuncties aan de hoven van de paus en de Duitse keizer. Hun werken vertoonden een stijl (door Van Mander hoog geprezen) die Nederlanders van nu 'buitenlands' aandoet; een stijl die was beïnvloed door de Italiaanse hoogrenaissance en het maniërisme.

Ook zonder zelf te reizen konden schilders en hun werken in heel Europa beroemd worden. Gravures dienden als reproducties van schilderijen, en werden ook zelf als kunstwerken zeer gewaardeerd. En tenslotte reisden ook de kunstliefhebbers. Sommige kloosters verdienden aardig aan de fooien van toeristen die hun schatten kwamen bezichtigen. Van Mander noemt ook particuliere huizen waar bepaalde werken te zien zijn; aan te nemen valt dat ook daar met enig geluk de deur openging voor liefhebbers die deze werken wilden bekijken.

Van Mander beschrijft de levens van de schilders, voor zover hij ze heeft kunnen achterhalen, in een simpele, soms enigszins opsommerige stijl. Waar hij kan vertelt hij anekdotes en verhalen, en verder filosofeert hij over de aard van de kunst en het nut van een oppassend en sober leven. Hoe meer details hij te vertellen heeft, des te leesbaarder wordt zijn tekst, en omdat hij zijn boek chronologisch heeft geordend, wordt dat leuker naarmate het boek vordert.

Mooi is bijvoorbeeld het verhaal over het leven van Jan van Scorel (1495-1562), die in Van Manders visie als een Lucifer van de kunst het vuur uit Italië haalde met zijn reis naar dat land. Hij bezocht Albrecht Dürer in Neurenberg, reisde naar Jeruzalem, trok de aandacht van de Zweedse koning Gustaaf en werd door paus Adrianus VI, de Nederlandse paus, aangesteld als conservator van zijn kunstverzameling. Alleen het meisje van zijn hart, Anna van Oostsanen, kon hij niet krijgen. Dat was tijdens zijn lange afwezigheid met een ander getrouwd.

Een ander hoogtepunt is de levensbeschrijving van Hendrick Goltzius (1558-1617). Toen die naar Italië reisde was hij al een vermaard etser. Om onderweg wat rust te hebben bracht hij volgens zijn vriend Van Mander in de praktijk wat je wel eens in oude toneelstukken leest: hij liet de trouwe bediende met wie hij reisde de rol van mijnheer spelen, terwijl hij zelf deed alsof hij de knecht was.

Over Hendrick Vroom (1566-1640), de nestor van de Nederlandse zeeschilders, vertelt Van Mander dat hij van jongs af aan graag scheepjes op aardewerk schilderde. Maar een echte specialist werd hij pas na een rampzalige zeereis van Haarlem naar Spanje - niet zijn eerste buitenlandse reis overigens. Deze keer raakte zijn schip in een storm en moesten de opvarenden in sloepen hun toevlucht zoeken op een rotsachtig Portugees eiland. Van daar zagen zij hun schip tegen de kust in stukken slaan. In Setúbal begon Vroom toen 'stukjes met schepen' te maken die direct succes hadden. Een eerste hoogtepunt in zijn loopbaan als zeeschilder was het ontwerpen van tien Vlaamse tapijten die de ondergang van de Spaanse Armada in 1588 voorstelden. Ze waren besteld door de Engelse vlootadmiraal.

Bij zulke verhalen gaat de lezer steeds heviger verlangen naar plaatjes. Het is wel begrijpelijk dat de bezorgers van dit boek opnieuw een ongeïllustreerde uitgave hebben gemaakt: er komen zó veel namen en werken voor in de tekst, en die kunstwerken zijn zo wijd verspreid over de wereld, dat het veel geld zou hebben gekost om het boek enigszins adequaat te illustreren. Maar jammer blijft het.

Nog verdrietiger dan het ontbreken van illustraties in dit boek is, dat talloze illustraties met alle subsidie van de wereld niet meer te maken zouden zijn omdat de kunstwerken zelf in de afgelopen eeuwen zijn verdwenen. Juist de keurige redactionele aantekeningen in deze editie, die ook de vindplaatsen van zoveel mogelijk schilderijen melden, maken dat duidelijk.

Tientallen, misschien honderden kunstwerken die Van Mander beschrijft zijn alleen maar uit die beschrijvingen bekend. Altaarstukken, doeken, fresco's, bij honderden vielen ze ten prooi aan branden of andere rampen, en niet te vergeten aan vandalisme, waartoe ook de Beeldenstorm van 1566 gerekend kan worden. Ook de tien Armada-tapijten naar ontwerp van Cornelis Vroom hebben het niet gehaald. Bijna 250 jaar na hun ontstaan zijn ze bij de brand in het House of Lords in 1834 verloren gegaan.