Debuteren in de jaren negentig

Levende literatuur staat of valt met debuten. Een cultuur waarin zich niet met grote regelmaat nieuwe schrijvers aandienen is gedoemd te verstarren. Maar waar komen de debutanten in spe vandaan?

Voor de meeste grote literaire uitgevers is het probleem tegenwoordig eerder hoe ze kwijt te raken. Zij ontvangen per jaar tussen de vijfhonderd en duizend ongevraagde manuscripten en maar weinigen hebben er de energie en tijd voor over die allemaal grondig door te lezen. Knelpunten zijn de selectie en de redactie van het debutantencorps. Tussen de stapels ongevraagde manuscripten, zit er maar zelden één die direct naar de drukker kan. Van de duizend manuscripten die bij een uitgever binnenkomen, wordt doorgaans maar één als boek gepubliceerd. De meeste debutanten die het brengen tot publicatie worden dan ook geworven via de redacteuren van uitgeverijen of via relatienetwerken. Vooral de literaire tijdschriften, waar de eerste voorselectie gebeurt, vervullen daarbij een onmisbare rol.

De Rotterdamse Lenny Vos, die onlangs in de kunst- en cultuurwetenschappen afstudeerde met een scriptie over literaire debutanten, stelde vast dat van 1990 tot 1995 in totaal 194 nieuwkomers in de boekwinkel zijn verschenen, gemiddeld ongeveer veertig per jaar. Eenderde blijkt niet zelf een uitgever te hebben benaderd, maar door een uitgever te zijn gevraagd. Een kwart stuurde zelf een manuscript op. De rest kwam via bemiddeling binnen.

Opmerkelijk aan deze cijfers is dat het aantal gepubliceerde debutanten, anders dan vaak wordt aangenomen, door de jaren heen redelijk constant is gebleven. Wie het aantal recente debuten van de grotere literaire uitgeverijen vergelijkt met de cijfers van vijftien jaar geleden, ziet dat er nauwelijks veranderingen zijn opgetreden. Enkele uitgeverijen die toch al niet zo'n belangrijke rol speelden zoals Manteau, de Prom en Bert Bakker zijn vrijwel van het toneel verdwenen, of doorgegaan onder een andere naam (Prometheus/Bert Bakker). Een paar oudere uitgeverijen zoals Nijgh & Van Ditmar en Veen zijn met nieuwe energie op zoek naar jonge auteurs gegaan. Maar de meeste fondsen van naam zijn op het oude niveau doorgegaan.

Interessanter is dan ook dat zich vooral bínnen de groep van debutanten verschuivingen hebben voorgedaan. Zo blijkt het aantal vrouwelijke beginnende schrijvers in vijftien jaar bijna te zijn verdubbeld. Was tussen 1975 en 1980 vijftien procent van de debutanten vrouw, nu is dat 28 procent. Ook blijkt een verschuiving te zijn opgetreden van poëzie naar proza; begonnen schrijvers vroeger hun loopbaan heel vaak als dichter, nu worden er bijna geen beginnende dichters meer uitgegeven. Wie debuteert, doet dat tegenwoordig met proza.

Dat roept de vraag op of er daardoor andere literatuur wordt geschreven. Van een prozaïst die als dichter is begonnen, mag je een andere instelling tegenover de literatuur verwachten dan van iemand die als romanschrijver debuteert. Het zou kunnen dat er door het gewijzigde acceptatiepatroon van de uitgevers de laatste jaren onder jonge schrijvers steeds minder aandacht is gekomen voor formulering en vorm. Men kiest meteen voor het brede, epische gebaar.

Vos onderzocht ook wie nu die schrijvers zijn, die de laatste jaren hebben gedebuteerd. Het blijkt te gaan om een vrij oude groep. De gemiddelde debutant van de jaren negentig is 38 jaar. Tien procent van de aankomende schrijvers is zelfs ouder dan 51. Dat de meesten van hen een hoge vooropleiding hebben, hoeft misschien niet te verbazen. Driekwart van degenen die aan het onderzoek meededen, zijn afgestudeerd aan een universiteit.

Wat zal er van al dit aanstormend talent worden? Als we er vanuit gaan dat er over het geheel slechts een paar honderd literaire werken per jaar verschijnen - voor de AKO-prijs waren dit jaar 270 boeken ingestuurd - mag je verwachten dat een deel van de debutanten binnen tien jaar alweer van het literaire veld zal zijn verdwenen.

In haar scriptie geeft Vos enkele suggesties om dit droevige lot te vermijden. Als groep is er tegen de vergetelheid natuurlijk niets te doen. Zolang het aantal lezers niet toeneemt - en dat doet het niet - zal ook het aantal kopers van nieuwe schrijvers beperkt zijn. Wanneer de gevestigde schrijvers een beetje hun best blijven doen, zal er waarschijnlijk maar voor een kwart van de debutanten op den duur ruimte blijven.

Maar individidueel kan een schrijver wel proberen om bij dat kwart terecht te komen. Uit de scriptie van Lenny Vos blijkt dat kwaliteit alléén daarvoor niet voldoende is, tenzij kwaliteit wordt gedefinieerd in termen van recensies en prijzen. Nederland kent vijf belangrijke prijzen voor debutanten: de C. Buddingh'-prijs voor poëzie, de Geertjan Lubberhuizenprijs voor proza, de Anton Wachterprijs, de Dordtse debutantenprijs, en het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut. Wie zo'n prijs wint, kan in elk geval rekenen op extra aandacht voor een volgend boek. Hetzelfde geldt voor een schrijver met veel lovende recensies.

In het theoretisch gedeelte van haar scriptie schrijft Vos: 'Voor de criticus is het riskant om een debuut te bespreken. Aan de ene kant lokt de roem wanneer blijkt dat hij als eerste het talent van een debutant heeft ontdekt. Aan de andere kant loopt hij het risico dat anderen zijn oordeel niet delen en hij zijn geloofwaardigheid als literatuurkenner dreigt te verliezen.' Uit het onderzoeksgedeelte blijkt echter dat deze scepsis nauwelijks terecht is. Van de onderzochte debutanten zijn er maar weinigen die zich over de kritiek beklagen. Als de geënquêteerde groep representatief is voor de gemiddelde debutant (wat ik in dit geval betwijfel) wordt iedere debutant tegenwoordig ten minste éénmal gerecenseerd, en kunnen beginnende schrijvers gemiddeld zelfs rekenen op twaalf recensies. Voor 86 procent van de debutanten zijn deze recensies dan ook nog eens positief.

Zelfs over de verkoop hebben de meeste debutanten weinig reden tot klagen. Het gemiddelde aantal verkochte exemplaren van hun eerste boek bedraagt 2.362. Dat zou betekenen dat debuten voor uitgevers nauwelijks enig risico met zich meebrengen. Van 40 procent bleef de verkochte oplage onder de duizend exemplaren, maar daar stonden drie debutanten tegenover met een oplage van meer dan 10.000 stuks.

Schrijnend is wel dat van de drie tijdschriften die voor de debutanten van de afgelopen vijf jaar het belangrijkst zijn geweest (De Gids, Hollands Maandblad en Maatstaf), twee nu in hun voortbestaan worden bedreigd omdat het Literair Productiefonds hun subsidie wil schrappen. Misschien moet het Productiefonds nog even gauw deze studie aanvragen.

Lenny Vos: Debuteren in de jaren negentig. Te bestellen bij de auteur via telefoonnummer 010-4117706.