De onbedorven ernst; Een museum voor Jean Tinguely in Bazel

De machines van Tinguely hebben in de Zwitserse stad Bazel het mooiste onderkomen gekregen dat voor deze bewegende kunst denkbaar is. “Geef een begaafd mens twintig fietswielen, een ijzeren ledikant, een paar elektromotoren en een lasapparaat en ongetwijfeld zal zoiemand er iets van maken. Maar een navolger die een paar wielen aan elkaar knutselt blijft knutselaar; dat is het tragische van het tinguelisme.”

Museum Jean Tinguely, Grenzacherstrasse, Bazel, Zwitserland. Wo t/m zo 11-19u.

Het museum is een machinehal. Het is ook één van de mooiste bouwwerken die tot onderdak voor kunst dienen. Het is een ruimte om een reus in te laten spelen. Het is de droom van een agorafiel. Het is het onderkomen voor een schouwspel waarin enorme machines domineren, geluid van ijzer op ijzer klinkt alsof er een smederij in vol bedrijf is, waar af en toe op een bel wordt geslagen of een sirene loeit. In ieder ander museum zijn de stilte en het rustigst bewegen de middelen ten behoeve van het kunstgenot; hier hoort het lawaai van de bedrijvigheid tot het bezienswaardige. Overal draaien wielen, bewegen de krukassen, de excentrieken en de drijfstangen. Het is de geweldige rusteloosheid van een ouderwetse grootindustrie. Dit museum bewaart een groot produktieproces in volle gang. Als het gesloten is, of bij nacht, moet het als een fabriek na het faillissement zijn, een industrie op zondag. En het is allemaal gemaakt, het komt uit de handen en het onherhaalbaar merkwaardig brein van één man: Jean Tinguely. Het Museum Jean Tinguely in Bazel, ontworpen door de Zwitserse architect Mario Botta en hoofdzakelijk gefinancierd door het concern Hoffman-La Roche is sinds 3 oktober open voor het publiek. Een magnifiek gebouw en daarbij de meest fantastische eenheid van onderkomen en inhoud die ooit voor het bewaren van kunst is opgericht.

Jean Tinguely hoort met Marcel Duchamp, Vladimir Tatlin, Yves Klein, Alexander Calder en Edward Kienholz tot de oorspronkelijkste ruimtelijke kunstenaars van deze eeuw. Duchamp heeft het wiel herondekt, Tatlin is het genie van de constructie voor de Derde Internationale, Calder de dichter-uitvinder van de fragile mobile en Kienholz heeft zijn kunst en techniek ontwikkeld om het bestaan onder zijn röntgenblik in drie dimensies te bevriezen. Ze horen tot dezelfde familie van zieners die onze tijd heeft vastgelegd. Allen hebben een weergave van onze wereld ontwikkeld waarin we onszelf herkennen; in hun werk ligt onophoudelijk het merkteken van deze eeuw verborgen. Weinigen hebben het zo consequent gedaan, met zoveel zwier, speelsheid, mysterie en niet aflatende verbitterde energie als Tinguely. Dat, om bij het slot te beginnen, is het laatste raadsel dat mij na vier uur in de machinehal te hebben gekeken, rondgelopen, mijn verbazing, instemming en bewondering te hebben onderzocht, is bijgebleven. Om dit alles te maken zou ieder ander twee of drie werkzame levens nodig hebben, en daarbij bezeten moeten zijn van een bovenmenselijke drang tot het snelste werken. Tinguely heeft zijn oeuvre alleen kunnen bouwen omdat hij voortdurend werd beheerst door de drang van het nieuwe idee, het ongeduld, de wil om te voltooien, te zien wat hij had bedacht en gedaan.

Nestlé

Tinguely is in 1925 in Fribourg geboren, heeft in Bazel zijn jeugd doorgebracht. Geen speelse stad om het vriendelijk uit te drukken. Oord van rust en regelmaat, groen, mooi, zonder dissonanten, welvarend en tot in de laatste richels aangeveegd, het toonbeeld van Zwitserse soliditeit. Je hoeft niet een geboren revolutionair te zijn om na een dag al het gevoel te krijgen dat deze orde je te machtig wordt. Tinguely's biografen zijn het erover eens: zonder deze omgeving zou Tinguely niet de revolutionair van de machine zijn geworden. Hij is enig kind, zijn vader magazijnbediende bij Nestlé, zijn moeder huisvrouw. Als veertienjarige, in 1939, verstopt hij zich in een internationale trein richting Albanië met de bedoeling tegen de Italiaanse fascisten te gaan vechten. Aan de grens wordt hij er door de Zwitserse politie uitgehaald. Terug naar de middelbare school en dan de academie. Hij verdient zijn geld als etaleur, wordt ontslagen wegens ordeloos gedrag, meldt zich als lid van de communistische partij. Als kleine zelfstandige in het etaleursvak maakte hij draadplastieken die al de eerste tekenen vertonen van wat zijn latere werk zou kenmerken. In 1952 verhuist hij, inmiddels getrouwd, naar Parijs. In zijn werk verschijnen de wielen, maar het ziet er nog wat fragiel, wat Calder-achtig, en vergeleken met later vooral dun uit. Krukas en drijfstang hebben nog niet hun intrede gedaan. In 1953 begint hij met kleine elektromotoren te werken; die zijn dan nog in de bewegende sculptuur verborgen, als een uurwerk achter de wijzerplaat. Hoe en wanneer hij de krukas heeft ontdekt, wordt nergens vermeld, ofschoon het een gebeurtenis van beslissende betekenis in zijn ontwikkeling is: de draaiende beweging die wordt omgezet in een rechtlijnige. In ieder geval bouwt hij in 1955 zijn eerste tekenmachines, de Méta-Matics, constructies met een arm die het liefst een viltstift vasthoudt om daarmee een blad papier, geklemd op een bord, te betekenen. De machien is zo 'los' gebouwd, met zoveel beheerste speling, dat ze nooit dezelfde tekening maakt, maar wel altijd hetzelfde frenetieke schouwspel ten beste geeft. Aan de Méta-Matic ligt het mechanisch principe ten grondslag waarop Tinguely's oeuvre in al zijn geniale variaties tenslotte is gebouwd.

In 1960 bereikte hij een nieuw hoogtepunt in de lange reeks: de sculptuur Hommage à New York, een buitengewoon bizarre constructie die in de tuin van het Museum of Modern Art in rook en knallen ten onder gaat - 'zelfmoord pleegt' zoals de exegeten zeggen - nadat zich eerst nog een klein karretje uit het geheel heeft losgemaakt om naar de vijver te snellen en daarin te verdwijnen. Niets tastbaars is er van deze hommage over, maar in het museum wordt doorlopend een film vertoond waarop het glorieuze einde van het meesterwerk te zien is (hoewel jammer genoeg niet zo nauwkeurig als men zou willen. Daar tegenover staat dat we zijn twee ondergangen van de wereld, ook vol rook, knallen en beweging, van seconde tot seconde kunnen volgen).

Kogellagers

Intussen heeft hij de kunstenares Niki de Saint Phalle ontmoet, de natuurlijke bondgenote in zijn kunstenaarsschap. Ze trouwen in 1971. Het huwelijk houdt geen stand; het bondgenootschap wel. De machinebouw neemt een ongekende vlucht. Heureka, uit 1964, is opnieuw een belangrijke vordering omdat de assen van deze ambitieuze constructie in kogellagers draaien. De kunstenaar is op het idee gebracht door een paar monteurs die, toevallig aan de overkant van de straat bezig zijnde, de bouw hebben kunnen volgen. Tinguely, zeggen de technici, kan misschien veel verzinnen, maar gemeten naar de maatstaven van de vakman is hij een amateur. Dit gaat steeds minder op, en dat moet ook wel want de machines worden voortdurend groter en ingewikkelder en eisen dus meer technische vaardigheid. Van het een komt het ander: want meer vaardigheid maakt het mogelijk aan grotere en ingewikkeldere projecten te beginnen.

Het onvermijdelijk bijverschijnsel is dat de kunstenaar meer haast krijgt. Al in 1970 beginnen Niki de Saint Phalle en hij aan Le Cyclop, de gigantische constructie in Mille-la-Foret, in de bossen bij Fontainebleau. En om nog iets van uitzonderlijke afmetingen te noemen, de Meta-Harmonie III uit 1984 en drie jaar later de Meta-Maxi-Maxi-Utopia die een extra faciliteit voor het publiek heeft: men kan de machine binnengaan, ladder op, ladder af, en nauwkeurig de werking bestuderen.

Jean Tinguely is dan allang als uniek kunstenaar erkend, behalve door zijn moeder. Na een tentoonstelling in Bern schrijft ze hem: 'We hebben die uitstalling gezien. Je zou je verstand beter kunnen gebruiken om iets te maken dat productief is, in plaats van maar wat aan te knoeien met dat oud roest. In Bern hebben we ons geschaamd over al die mensen die maar grapjes maakten over je bespottelijke dingen.' Het oeuvre breidt zich in gevarieerde richtingen verder uit, er ontstaan genres, symfonieën, études, essays en heldendichten, bij wijze van spreken, in Tinguely's behandeling van het bewegen. Er worden ook beschouwingen geschreven, er groeit een school van exegeten. Men beschrijft, men zoekt zin, men duidt iedere fase in de ontwikkeling zoals dat met iedere kunstenaar van kaliber plus het werk hoort.

Al vlug is er een school ontstaan die in het geheel een satire op de gemechaniseerde samenleving ziet. Deze machines zijn uitzonderlijk, zegt men, ten eerste omdat ze zijn opgebouwd uit het afval van de consumptiemaatschappij en ten tweede omdat ze niets produceren. Ieder werk afzonderlijk is daarom nieuwe spot aan het adres van onze moderne chaos, een sarcastische aanval op de airconditioned nightmare. Tinguely bevrijdt de moderne mens door hem het functionerende nutteloze te laten zien. Vertegenwoordigers van deze school referenen graag aan Modern Times waarin Charlie Chaplin laat zien hoe de mens een verlengstuk van de machine is geworden.

Een andere school is van mening dat deze machines revolutionair zijn omdat ze 'een eigen leven leiden'. De Méta-Matics bijvoorbeeld zijn 'eigenzinnige' constructies omdat ze nooit dezelfde tekening maken. Zo bewegen alle machines op hun manier en daarbij worden ze verenigd door de eigenschap dat ze zichzelf nooit herhalen. Daarin onderscheiden ze zich dus van de 'nuttige' machines die hun nut juist ontlenen aan deze ene eigenschap: dat ze zichzelf altijd herhalen en dus hun nut verliezen als ze door een verkeerde behandeling of slijtage 'eigenzinnig' worden. Pontus Hulten, de theoretische begeleider van het hele oeuvre, maakt een vergelijking met de schaakcomputer die we met enige goede wil ook als een eigenzinnige, dus bezielde machine kunnen beschouwen.

Het zal allemaal waar zijn, of waar kunnen zijn, maar ik geloof niet dat iemand bij wie een opgeluchte glimlach doorbreekt bij het zien van een Méta-Matic in werking, meteen denkt dat hier een maatschappijkritisch schouwspel aan de gang is of dat een machine 'zich verzelfstandigd heeft'. Het is de bevrijding van dit vrolijk bewegen zelf die het hem doet. Verwijzingen naar Modern Times zijn, mij dunkt, niet houdbaar. Chaplin in combinatie met de geweldige machine die zich van hem meester maakt is een maatschappijkritische scène die een hele boekenplank cultuurkritiek overbodig maakt. Maar denk Chaplin weg en je houdt een prachtige, onzinnige machine der machines over. In de film treedt trouwens nog een ander, veel meer Tinguely-achtig werktuig op: de voermachine waardoor arbeider Chaplin niet naar de kantine hoeft maar aan de lopende band kan eten en drinken waarna op de koop toe zijn mond wordt afgeveegd. Dit voer- en veegproces raakt in de war en daaruit ontstaat iets binnen de sfeer van Tinguely, met dien verstande dat zijn machines niet in de war raken maar zorgvuldig op hun 'nutteloosheid' zijn geprogrammeerd.

Opluchting

Zijn de machines 'nutteloos'? Bezien van het standpunt der doelmatigheid is alle kunst nutteloos. Een schilderij, een beeld, een waterpartij, het dient tot niets. De aanblik volstaat. Die brengt de mysterieuze beroering teweeg waardoor we weten dat we met kunst te maken hebben. Zo is het ook met de machines van Tinguely, zij het dat de beroering in dit geval uitzonderlijk is: geconcentreerde verwondering, opluchting, een vriendelijke, ingetogen opgewektheid waardoor men wordt overvallen. Dat wordt niet alleen veroorzaakt door het bewegen, maar door het bewegen zoals Tinguely het laat gebeuren. Zoals de schilder een eigen handschrift heeft en de schrijver een eigen toon, zo worden de machines van Tinguely verenigd in hun zichtbare muziek. Ik dacht aan Norman McLaren, maker van abstracte tekenfilms die jazzmuziek zichtbaar heeft gemaakt. Evenmin iets dat geschikt is om te beschrijven of te duiden, maar wel met een merkwaardig effect: bij zijn hoor- en schouwspel kreeg je het gevoel dat je ervan opknapte.

Spel is een eigenaardig soort ernst. Kijk naar de geconcentreerde ernst waarmee een kind aan het spelen is. Lezer: herinnert u zich dat zelf van vroeger! Het is de onbedorven ernst, naief, niet geprofessionaliseerd, niet de ernst terwille van een ander doel, maar als het ware bijverschijnsel van het spelen. Dat is de ernst die Tinguely met zijn machines op de toeschouwer overdraagt. Bij de aanblik herwint men zijn naieviteit - zolang het duurt. Het komt, denk ik, doordat Tinguely - alweer per ongeluk want anders gaat het niet - zichzelf heeft bewaard voor de verstijving in beroepsmatigheid. Geef een begaafd mens twintig fietswielen, het geraamte van een ijzeren ledikant, een paar elektromotoren, nog wat buizen en stangen en een lasapparaat en ongetwijfeld zal zoiemand er iets van maken, maar of het resultaat het waarmerk van het ernstig spel zal dragen? Dan heel anders dan dat van Tinguely. Een navolger die een paar wielen aan elkaar knutselt blijft knutselaar; dat is het tragische van het tinguelisme. Tragischer dan de schilder die Picasso nadoet.

Als er al een soort maatschappijkritiek uit dit oeuvre valt te destilleren dan is het door de tegenstelling tot de geprofessionaliseerde vrolijkheid, de pret. Wie pret wil hebben moet niet naar het museum in Bazel gaan maar naar Center Parks of een gepatenteerd hos- en samenzangcentrum. Pret is de verstarde lach van kunstmatig opgewekte vrolijkheid. Pret is een verworvenheid van de volwassenheid. Tinguely is de ernst van het kind.

Behalve door zijn werk leert men de kunstenaar het best kennen door de bijdrage van Niki de Saint Phalle aan de catalogus, het boek waarin de collectie wordt beschreven. Het is een brief, geschreven nadat hij was gestorven, waaruit Tinguely tevoorschijn komt met al zijn charme, zijn zwakheden als macho, zijn energie, illusies en opmerkelijke hebbelijkheden. Een paar jaar na hun huwelijk verwierf hij zich een vriendin, Micheline, die niet lang daarna zwanger werd. Niki schrijft: 'Galant als je was heb je me voorgesteld, mij ook met een kind te bedenken. Ik zag ervan af. Ik ben ervandoor gegaan met de eerste de beste goed uitziende jongeman die mijn weg kruiste. Hij was twintig jaar jonger dan ik, dichter, Engelsman, had lang blond haar en reciteerde de sonnetten van Shakespeare. Dat klonk beter dan de motoren van jouw race-auto's.' Toch bleek een en ander na verloop van tijd geen breuk te zijn. Het museum in Bazel heeft vijftig machines uit de collectie van Niki de Saint Phalle ten geschenke gekregen.

In de jaren tachtig werd Jean Tinguely ziek. In 1985 onderging hij een hartoperatie en kreeg een bypass. Zijn werk veranderde, zonder - zoals men kan zien - de signatuur te verliezen. Het werd somberder maar, paradoxaal, niet minder spel. Een goed voorbeeld daarvan vind ik de grote machine op het chassis van een Peugeot, Le Safari de la Mort Moscovite, die onmiddellijk na de ingang staat opgesteld. Zelf schrijft hij na zijn hartoperatie: 'Mijn machines kreunen en steunen en ze gaan ook langzamer. Er komt een zekere verlamming in. Ik maak er gebruik van. Ik word ook ouder, m'n botten bewegen niet meer zo snel. Mijn machines bereiken nu het gebied van de grijsheid. Door ze langzamer te laten gaan maak ik ze grijzer. Dat wil ik versterken. We moeten leven met de dood.'

Op 30 augustus 1991 is hij gestorven.