De kous gaat aan

Lien Heyting mengde zich in het CS van 18 oktober in de discussie over Jan Steens meesterwerk Het morgentoilet. Trekt de vrouw op het schilderij haar kous aan of uit?

In de catalogus van de Jan Steen-tentoontelling in het Rijksmuseum schrijft de Amerikaanse kunsthistoricus Arthur K. Wheelock dat de vrouw haar kous aantrekt. Hij verwijst naar een embleem van Roemer Visscher, met dezelfde handeling. In beide gevallen, op het schilderij en op het embleem, is de afbeelding allegorisch en een waarschuwing voor de gevaren van zwichten voor de verlokkingen van een prostituée.

De aanleiding voor de discussie zijn de afdrukken van de kousebanden, zichtbaar op het been van de vrouw. 'Hoe kan iemand die 's ochtends haar kousen aantrekt reeds deze afdrukken in haar benen hebben', luidt de tegenwerping op de bewering van Wheelock. Wie heeft nu gelijk? Wheelock of zijn critici? Ik denk dat in dit geval een huisarts zijn deskundigheid moet aandragen en een beslissend oordeel moet vellen. Welnu: 's ochtends, na de nachtrust zijn de afdrukken van kousebanden in benen van jonge vrouwen niet meer te zien. De horizontale ligging heeft het vocht, dat zich onder de kousebanden had opgehoopt, gedurende de nacht afgevoerd. De zwelling is verdwenen, de afdrukken zijn gladgestreken.

De conclusie is simpel: de vrouw op de rand van het bed heeft in elk geval niet juist uren slapend en liggend zonder kousen aan doorgebracht. Maar trekt ze haar kousen nu aan of uit?

Op het schilderij buigt de vrouw zich licht voorover en heeft haar kous tussen duim en wijsvinger vast. Haar hand bevindt zich boven haar hiel. Deze houding suggereert duidelijk het aantrekken: ze trekt immers niet aan de teen van de kous, ze is niet bezig hem af te schuiven of af te rollen, nee, ze heeft de kous vast bij de opening en steekt er een voet in spitsstand in. Wheelock heeft dus gelijk: ze begint met het aantrekken van de kous.

Toch heeft ze moeten van de kous in haar been. Waarom? Welnu: de vrouw is een prostituée, een 'rode kous', zoals ze werd genoemd in Steens tijd. De kous komt als beeld uiteraard van de vagina, die zich passend sluit om de penis van de man. Als de kous de vagina en prostituée is, dan is het been de penis en ook de man. En vanzelf laat de kous - de prostituée - afdrukken achter op de man. Dit is de waarschuwing die uitgaat van kouseband afdrukken.

En bovendien, het werk van de prostituée bestaat uit het seksueel bedienen van haar klanten, in de regel meer dan een. De kous gaat aan en uit. En als de kous slechts even uit is geweest, dan zijn de moeten bij het aantrekken nog niet geheel verdwenen. Ook hier de versterking van de suggestie van het beroep van de dame.

Dat niet alleen: juist het feit dat de kous op het punt staat te worden aangetrokken, is een belangrijk element in het totale beeld. Want wie kijkt de dame van lichte zeden aan? De toeschouwer, die de afsluitende deur in de poort der deugden zelf heeft geopend (de sleutel steekt immers aan de binnenkant). Ze kijkt uitnodigend, lonkend. En wat toont ze? Het begin van de coïtus. Ze vangt aan de liefde te bedrijven. Met wie? Met de toeschouwer. Dit is juist zo belangrijk, want het brandpunt van de waarschuwing: hebt gij, toeschouwer de poort naar de andere zijde van uw deugdelijke, burgerlijke moraal geopend, dan is de verleiding bijna niet te weerstaan. Houdt hem dus gesloten en peinst niet over het bezoeken van de prostituée.

Steen geeft in zijn schilderij, een meesterwerk van allegorie, een duidelijk antwoord op de vraag waarover nu gediscussieerd wordt: de vrouw trekt de kous aan, maar niet in de ochtend.