De drijfveren van een Duitser

Ulrich Herbert: Best. Biografische Studien über Radikalismus, Weltanschauung und Vernunft, 1903-1989. J.H.W. Dietz Verlag, 695 blz. ƒ 66,70

Julius H. Schoeps (Hg.): Ein Volk von Mördern? Die Dokumentation zur Goldhagen-Kontroverse um die Rolle der Deutschen im Holocaust. Hoffmann und Campe Verlag, 252 blz. ƒ 35,-

Waarom maken mensen zich schuldig aan massamoord? De Amerikaanse historicus Daniel Goldhagen wil met zijn boek Hitler's Willing Executioners. Ordinary Germans and the Holocaust aantonen dat de genocide op de joden een gevolg was van 'the German people's racial eliminationist view of Jews'. Het Duitse volk was bezeten van een moordzuchtige jodenhaat. Een keuze uit de reacties op zijn werk, geselecteerd door de Potsdamse hoogleraar in de geschiedenis Julius H. Schoeps, laat zien dat Goldhagen behalve veel kritiek ook lof heeft geoogst. Hij wordt vooral geprezen om zijn durf een tot nu toe onderbelicht thema aan te snijden, dat van het motief: wat bezielde de daders?

De critici die hem verwijten dat zijn antwoord te simpel is, zijn inmiddels door Goldhagen in Die Zeit van 2 augustus uitgenodigd met een betere verklaring te komen. Deze invitatie gaat echter voorbij aan de vraag of het uitgangspunt van Goldhagens betoog wel deugdelijk is: is het mogelijk de drijfveren van een vólk te achterhalen?

De methode Goldhagen is geen goede methode. Men kan uiteraard proberen zijn apodictische these te weerleggen door er een even boude bewering tegenover te stellen - bijvoorbeeld dat het Duitse volk bestond uit een verzameling sadistische psychopaten. In navolging van Goldhagens werkwijze kan men daar dan een selectie van feiten en citaten bij zoeken die deze stelling ondersteunt. Die methode levert echter geen betere, maar een even gebrekkige verklaring op. Het verdient daarom bij het zoeken naar motieven de voorkeur een andere weg te kiezen, namelijk die van het biografisch onderzoek: de beweegredenen van één persoon doorgronden is al moeilijk genoeg. Ulrich Herbert, hoogleraar geschiedenis in Freiburg, heeft dit karwei in zijn boek over de nazi-ideoloog Werner Best op een bewonderenswaardige wijze geklaard. Zijn meer dan grondige bronnenstudie en uitvoerige belichting van achtergronden vormen de basis van een zorgvuldige en zeer leesbare ontleding van Bests daden en beweegredenen.

Eenzelvig

Best werd geboren in 1903 en was elf toen zijn vader aan het front omkwam. Na de Eerste Wereldoorlog maakte hij de ineenstorting van het keizerrijk mee. Hij groeide op in het Rijnland, dat werd bezet door Franse troepen. Die ervaringen hadden van Best al een fanatieke nationalist gemaakt toen hij in 1921 rechten ging studeren. Hij sloot vriendschap met Ernst von Salomon, die medeplichtig zou worden aan de moord op de joodse minister van Buitenlandse Zaken Rathenau en later Die Geächteten (1930) zou publiceren, de nog altijd onovertroffen evocatie van de rechtsextremistische gevoels- en denkwereld. Ook raakte Best thuis in de kring rond de auteur Ernst Jünger, de oud-frontstrijder wiens denkbeelden over de existentiële betekenis van het Kämpfertum stoelden op eigen ervaringen.

In de loop van de jaren dertig ontwikkelde Best zich van volgeling tot ideologische voorganger. Zijn toetreding tot de NSDAP, zo maakt Herbert duidelijk, lag echter niet noodzakelijk in het verlengde van zijn overtuiging (Jünger was bijvoorbeeld één van de geestverwanten die géén lid werden), maar kwam in hoge mate voort uit opportunisme. Hij meldde zich aan in november 1930, ruim een maand nadat de spectaculaire verkiezingsoverwinning van de NSDAP duidelijk had gemaakt dat de beweging van Hitler een politieke rol van betekenis zou gaan spelen.

Na de Machtübernahme in januari 1933 maakte Best, inmiddels gepromoveerd jurist, snel carrière in de SS. Dit door Heinrich Himmler geleide conglomeraat van politiediensten wierp zich op als ideologische voorhoede van het Derde Rijk. Herbert beschrijft Best als een eenzelvig man, die moeilijk persoonlijke contacten legde en totaal opging in zijn werk als organisator en publicist.

Hij werd de plaatsvervanger van Himmlers rechterhand Richard Heydrich, die later de drijvende kracht achter de Endlösung der Judenfrage zou worden. Best manifesteerde zich vooral door het schrijven van tientallen boeken en artikelen waarin hij met overgave probeerde het wetenschappelijke karakter van de nazistische Weltanschauung uiteen te zetten. Deze völkische overtuiging stoelde volgens Best op biologische 'levenswetten', die het Duitse volk bestempelden tot een rassisch collectief dat in de strijd tegen andere rassen zijn superioriteit moest bewijzen. Antisemitisme was in zijn ogen niet een kwestie van persoonlijke afkeer, maar een zaak van het verstand: de uitschakeling van de joden diende het hogere doel van een raszuivere Germaanse Volksgemeinschaft. Evenals vele andere leden van het SS-kader keerde hij zich tegen de naar zijn smaak vulgaire hetze die Julius Streicher in zijn rancuneblad Der Stürmer tegen joden voerde. Bloed, aldus Best, was belangrijker dan Gesinnung. Persoonlijke gevoelens deden niet terzake in een door de natuur gegeven opdracht het joodse Fremdkörper weg te snijden uit de samenleving.

Best gaf persoonlijk leiding aan de door deze overtuiging geïnspireerde terreur- en moordcampagne die begon nadat Duitse troepen in september 1939 Polen waren binnengetrokken. De SS-Einsatzgruppen kregen opdracht zowel joodse als Poolse burgers uit een aan Duitsland grenzend gebied te verdrijven of hen te doden. Deze operatie, die in feite de inleiding was tot de latere genocide op de joden, ging gepaard met massa-executies. Best gaf orders dat deze actie 'rationeel', volgens de strenge eisen van een perfectionistisch professionalisme, moest worden uitgevoerd. Leden van de vuurpelotons die op individueel initiatief wreedheden begingen en hun slachtoffers op andere wijze doodden dan door middel van een georganiseerde schietpartij, dienden bestraft te worden.

Best was bezield door de wil om het ideologische project Duitsland raszuiver te maken klinisch te voltrekken. Het boek van Herbert laat er geen twijfel over bestaan dat Best de jodenhaat die volgens Goldhagen een allesverklarend karakter heeft, bij Best als motief ontbrak. Dat werd nog eens onderstreept toen deze technocraat van de terreur zijn werkterrein verlegde naar het bezette Frankrijk. Terwijl hij leiding gaf aan de deportatie van joden, liet hij ook aan zijn medewerkers blijken persoonlijk geen antisemitische gevoelens te koesteren door zijn joodse tolk in diens positie te handhaven en correct te behandelen - totdat ook deze ongelukkige volgens het onder verantwoordelijkheid van Best opgestelde deportatieschema werd afgevoerd naar een vernietigingskamp.

De meest bizarre en ondoorzichtige episode uit de loopbaan van Best speelde zich af in Denemarken, waar hij in november 1942 tot hoogste bezettingsfunctionaris werd benoemd. Volgens de völkische maatstaven behoorde het Deense volk tot de Germaanse stam en moest het rijp worden gemaakt om in de toekomst op te gaan in een door Duitsland geleid groot-Germaans rijk. De nieuwe Reichsbevollmächtiger meende dat deze doelstelling het beste bereikt kon worden door een behoedzame politiek te volgen. Ook op sabotage-acties van het Deense verzet reageerde hij terughoudend en Best negeerde zelfs een uitdrukkelijke opdracht van Hitler om door de executie van gijzelaars de Denen tot inkeer te brengen.

Razzia

Om geen onnodig tumult te veroorzaken liet Best ook de achtduizend joodse burgers ongemoeid, totdat hij in september 1943 opdracht kreeg hen te deporteren. Zijn tegenstrijdige reacties op deze order zijn ook voor Herbert niet gemakkelijk te ontrafelen. De Reichsbevollmächtiger verzocht zijn meerderen in Berlijn extra-politietroepen te sturen om de opdracht te kunnen uitvoeren. Toen de manschappen waren gearriveerd, liet Best echter aan enkele sociaal-democratische politici de datum uitlekken van de op stapel staande razzia. Vrijwel alle bedreigde joden werden vervolgens in een door het Deense verzet georganiseerde reddingsoperatie over zee naar Zweden gebracht. Op de uitbrander die hij vervolgens van zijn superieuren ontving, reageerde Best fel: had hij er niet voor gezorgd dat Denemarken nu vrij was van joden? En was met deze Entjudung niet aan de belangrijkste volkstümliche opdracht voldaan?

De Deense rechters die hem na de oorlog moesten vonnissen, waren niet de enigen die moeite hadden een oordeel te vellen over het verweer van Best dat dankzij hem de joodse bevolking van Denemarken was gered. Aanvankelijk veroordeelden zij hem tot de doodstraf, maar de publieke opinie in Denemarken, inclusief het voormalige verzet, reageerde verontwaardigd en afwijzend op dit strenge vonnis. Vervolgens werd Best veroordeeld tot de milde straf van vijf jaar, om tenslotte in hoogste beroep twaalf jaar hechtenis te krijgen. Hij kwam echter al in 1951 vrij.

Na terugkeer in Duitsland werd hij een gewaardeerd directielid van het Stinnes-concern en gaf hij leiding aan de organisatie van de bijstand aan aangeklaagde ex-nazi's. Eind jaren zeventig werd hij door de justitiële autoriteiten in de Bondsrepubliek gearresteerd in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek naar zijn aandeel in de moord op Poolse joden, maar zijn medische conditie was voor de rechters aanleiding hem een proces te besparen.

In 1989 overleed Best, die tot het einde van zijn dagen een verklaard aanhanger bleef van de völkische ideologie.

Ook in de geschiedschrijving heeft het argument van Best dat dankzij zijn interventie de Deense joden de oorlog hebben overleefd gehoor gevonden. Herbert is echter van mening dat menig collega zich heeft laten leiden door de verkeerde conclusie dat Best deze joodse minderheid heeft laten ontsnappen omdat hij persoonlijk niets tegen joden had. Om de handelingen van deze SS-officier te kunnen begrijpen moet men zich volgens zijn biograaf verplaatsen in de politieke gedachtenwereld van Best. Vernietigen of verdrijven, dat was voor hem een kwestie van opportuniteit: de hoofdzaak bleef dat alle joden verwijderd werden uit het door Duitsland bezette gebied.

Best had volgens Herbert absoluut niet de bedoeling joden te redden, maar koos als hoogste bezettingsbestuurder van Denemarken voor de meest 'verstandige' weg. Deportatie had tot grote onrust geleid en zou zijn taak ernstig hebben bemoeilijkt. Vooral de vrees dat de ideologische hoofddoelstelling, de toekomstige opneming van Denemarken in een groot-Germaans rijk, in het gedrang zou komen, telde volgens Herbert zwaar voor Best. Het betoog van zijn biograaf neemt echter niet weg dat de Deense joden de oorlog hoogstwaarschijnlijk niet zouden hebben overleefd als Best de datum van de razzia niet had laten doorgeven aan leden van de Deense sociaal-democratie.

Herbert laat zien dat het gedrag van zijn hoofdpersoon werd bepaald door een moeilijk te ontwarren kluwen van motieven. Hij is in dat ontwarren goed geslaagd. Best was het prototype van de nationaal-socialist die zich deelgenoot waande van een grootse historische missie, maar tegelijkertijd de politieke eisen van de dag nooit uit het oog verloor. Hij probeerde zichzelf na de oorlog zoveel mogelijk af te schilderen als een product van Duitse omstandigheden, maar de biografie van Herbert toont aan dat deze intelligente en prestatiebeluste figuur menigmaal gangmaker was bij het opzetten en uitvoeren van een moordzuchtige politiek. Best had een actief aandeel in de genocide op de joden. Hij werd in dat gedrag niet gemotiveerd door persoonlijke afkeer van zijn slachtoffers, maar door een ideologische en professionele toewijding die vermengd kon raken met een politiek opportunisme dat, los van de bedoelingen die Best had, tijdens zijn Deense periode de vlucht van grote aantallen joden de oorlog mogelijk maakte.

Pionnen

Daniel Goldhagen heeft in zijn Zeit-artikel onderstreept dat hij met zijn boek vooral de ambitie had de individuele verantwoordelijkheid van daders vast te leggen. Hun schuld wordt echter onbedoeld ontlast door zijn verklaring dat hun gedrag het gevolg was van een allesbeheersend, moordzuchtig anti-semitisme. Door alle daders hetzelfde motief toe te dichten, worden hun handelingen afgeschilderd als afgeleide van een algemeen patroon. Niet alleen 'gewone' Duitsers, ook Werner Best, ja zelfs Adolf Hitler, worden dan pionnen die geconditioneerd waren door de collectieve kracht van een specifiek-Duitse jodenhaat, die zo sterk was dat niemand eraan kon ontsnappen. Als alle Duitsers er de gevangene van waren, wat blijft er dan nog van hun schuld over? De historicus Ulrich Herbert deed een onderzoek naar de motieven en handelingen van één persoon. Daarom leert zijn boek ons meer over het vraagstuk van de verantwoordelijkheid voor de moord op de joden dan het pretentieuze structuralisme van de socioloog Goldhagen.