Baden in een gele bonbon; Genezing in het water van Boedapest

Dobberen is een Hongaarse levenskunst. In de vele warme baden die Boedapest rijk is kunnen Hongaren uren drijven, zitten of liggen. Ze praten wat tegen een andere badmuts, spelen schaak op een drijvend bord, of staren door de damp heen in het niets. De versieringen en mozaïeken in de badhuizen voorkomen de verveling.

Vrouwen en engeltjes kijken neer op de lijven in het water. Warm water vloeit vanaf de rand van het bad uit een stenen leeuwebekje over je schouders. Waar cultuur, water en huid elkaar raken, vindt de Hongaar zijn ontspanning.

De badcultuur is van iedereen. De professor, de koopman, de politicus en de arbeider laten zich een of meer keer per week in water van 36 tot 40 graden zakken om in navolging van de Romeinen lichaam en geest te reinigen. De Romeinen waren de eersten die ruim tweeduizend jaar geleden in Obuda, deel van het huidige Boedapest, de heilzame werking van het warme water ontdekten. Geologische omstandigheden hebben de Hongaarse hoofdstad rijk bedeeld met warme bronnen. In honderden miljoenen jaren hebben zich onder de grond vele lagen dolomiet, kalksteen en mergel gevormd. In de scheuren tussen de lagen is heet water opgeslagen, dat in natuurlijke bronnen naar boven komt of omhoog wordt gepompt.

Hongaarse koningen legden in de vijftiende eeuw de eerste baden aan in de heuvels van Buda, vlakbij de Donau. De Turkse heersers bouwden in de zestiende eeuw baden als Rudas en Király, die na verwoestingen en renovaties nu nog bestaan. Met de erkenning van minerale baden voor medische doeleinden in de negentiende eeuw groeide Boedapest uit tot een kuuroord voor reumatische buitenlanders.

De Hongaren mochten officieel onder het communisme gelijk zijn, de baden bedienden hun eigen sociale groep. In het stadspark achter het Heldenplein ligt een kasteelachtig bouwwerk uit 1913, het Széchenyi-bad. In deze reusachtige gele bonbon met groene koepels, zuilen en bogen, vermoedt men niet het bad van de gewone man. Toch komt hier bij mooi weer János Modaal met zijn gezin. Ze spreiden hun onmodieuze badhanddoeken uit op de stenen en halen een jaren-zestig-coolerbox tevoorschijn. De rest van de dag drijven ze in de drie baden van oplopende temperatuur en eten ze boterhammen met salami op hun handdoek.

Széchenyi is het enige warme bad aan de Pest-zijde van de Donau, vanouds het stadsdeel waar de midden- en lagere klassen van de bevolking zich ophouden. De stadsbestuurders gaven in 1909 professor George Ziegler de opdracht hier een bad voor het volk te bouwen, dat in grandeur niet onder deed voor de rijkeluisbaden in Buda. Széchenyi werd een van de grootste badcomplexen van Europa met buitenzwembaden en stoombaden voor mannen en vrouwen. Het bad heeft artsen, verpleegsters en masseurs in dienst, en er is een klein ziekenhuis voor dagbehandeling van patiënten met gewrichts- en spierziekten. Hongaren geloven in de geneeskrachtige werking van de mineralen in het water. De vaak langdurige behandeling in de baden wordt volledig door het ziekenfonds vergoed.

Toen de huizen van Boedapest nog geen douche of bad hadden, kwamen hier jaarlijks zes miljoen mensen, nu zijn het er nog 1,2 miljoen. Istvánne Farkas, de directrice van Széchenyi, probeert ondanks de prijsstijgingen van de afgelopen jaren het karakter van het bad te bewaren. “Warme baden horen bij de Hongaren. Wij zijn ermee opgegroeid, het is een nationale hobby. Széchenyi moet dan ook toegankelijk zijn voor iedereen. De mensen bespreken hier de politiek, de liefde en de zaken. Het is weinig anders dan in de Romeinse tijd”.

Aan de andere kant van de Donau, aan het einde van de Szabadság-brug, staat het badhuis dat internationaal de meeste faam heeft: het Gellért. Aanvankelijk gebouwd als onderdeel van het vijf-sterren Gellért hotel, is het nu een onafhankelijk badhuis, met dezelfde voorzieningen als Széchenyi. Hier komen de buitenlandse toeristen en de elite van Boedapest. Enkele gasten baden hier sinds de opening in 1918 elke dag. Iedere morgen om half acht komen dezelfde tweehonderd rijke dames in het Gellért zwemmen. Hun jaarabonnement (60.000 forint, 660 gulden, twee keer het maandsalaris van een Hongaarse leraar) vinden ze ieder jaar onder de kerstboom.

Het Gellért is geroemd, gefilmd en bezongen, maar bij nadere beschouwing lang zo mooi niet als het Széchenyi. De entree in de lobby is imposant, met bogen die het halfronde glas-in-lood-dak dragen. Maar de lange weg naar de badhokjes is armoedig en het zwembad heeft zijn karakter in verbouwingen verloren. Het pronkstuk van Gellért zijn de warme baden (36 en 38 graden) voor mannen, met blauwe en bruine mozaïeken en versieringen die in de originele staat bewaard zijn gebleven. Volgens directeur Lóránt Balás kan ik hier na vijf uur 's middags beter wegblijven, want “dan komen er veel homoseksuelen”. Sommige baden, vooral het Király, staan erom bekend dat zij het stomend décor vormen van gewenste en ongewenste herenintimiteiten. Oudere masseurs in het Gellért herinneren zich dat het voor de Tweede Wereldoorlog niet veel anders was.

De Hongaarse badcultuur heeft volgens Balás veel te maken met het klimaat. Een groot deel van het jaar is het koud en nat weer. Veel mensen hebben daardoor reumatische klachten, en zoeken verlichting in warme baden. Ieder bad heeft echter een specifieke mineralen-samenstelling, en kan daardoor slechts tegen specifieke kwalen helpen. “De balneologie is helaas als wetenschap vrijwel uitgestorven”, zegt Balás. “Dokters weten niet meer welk bad goed is voor welke kwaal. De dokter schrijft een behandeling voor in een warm bad, en de patiënten gaan waar ze willen. Dat is een groot probleem.” Maar wie dobbert in het hete water en het lichaam loom voelt worden, ondergaat al de belangrijkste genezing. Hier is geen moeten. De stress van de stad is ver weg, achter de voordeur.