Alles voor de nieuwste film; De biografie van bioscoopondernemer Abraham Tuschinski

Maandag bestaat de Amsterdamse bioscoop Tuschinski 75 jaar en verschijnt ook biografie van Abraham Tuschinski, de stichter van dat theater. Henk van Gelder beschrijft hoe de Pool Abraham Tuschinski in 1904, op weg naar Amerika, bleef hangen in Rotterdam. In 1914 bezat hij er al twee bioscopen, het begin van een klein imperium. Een fragment uit de biografie: “De laatste dagen van Pompeï', dat was een film die Abraham Tuschinski tegen elke prijs exclusief voor Rotterdam in de wacht wilde slepen.”

Henk van Gelder: Abraham Tuschinski. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 200 blz. Prijs ƒ 39,90. De biografie verschijnt volgende week.

De wereldoorlog, die later de eerste zou worden genoemd, was begin augustus 1914 een feit. Maar de strijd woedde elders, niet in Nederland. Langzaam maar zeker trok de paniek van die eerste dagen voorbij. Het zag er voorlopig naar uit, dat de angstvallige neutraliteit de juiste politiek was geweest. De waakzaamheid aan de grenzen was genoeg, de mensen in het land durfden hun ruggen weer te rechten en de vermaakssector herstelde zich. Bij de bioscoopkassa's keerden de rijen terug, al ging het veel bezoekers er nu vooral om in ruil voor hun papiergeld, waarvan de waarde niet meer vaststond, veel wisselgeld van zilver te ontvangen. Er waren er zelfs, die na tien minuten in het duister weer opstonden en naar buiten liepen om aan de kassa opnieuw papiergeld voor zilver in te wisselen. De kassa's van de theaters waren bijna wisselkantoren geworden, zo sloeg de angst voor waardeverlies toe. Zelf deed Tuschinski er niet aan mee; hij dacht dat het met de geldontwaarding niet zo'n vaart zou lopen. Maar hij was verstandig genoeg om voor zijn klanten zo veel mogelijk muntgeld in huis te hebben.

In de loop van het najaar van 1914 begon er ook een heel ander soort publiek te komen: vluchtelingen uit België, vaak in goeden doen, die hun eigen land in een slagveld zagen veranderen en zich daarom in Nederland vestigden. Daar waren befaamde toneelspelersfamilies als de Verstraetes en de Van Kerckhovens bij, maar ook arbeiders, middenstanders en industriëlen. Ze brachten een buitenlandse, lossere sfeer met zich mee, vond Tuschinski, die aangenaam contrasteerde met de formele Nederlanders. 'Zij kijken niet op geld, bezetten de betere rangen, de buffet- en chocoladeverkoop stijgt geweldig,' liet hij later noteren. 'Zij brengen de eigenaardige levendigheid, den chic en de charme van het Zuiden in ons landje.'

Inmiddels waren de problemen van de internationale filmdistributie, die in augustus stil kwam te liggen, alweer grotendeels opgelost. Alleen moest soms een enkele variété-artiest het laten afweten omdat hij gemobiliseerd was, zoals Louis Davids, die in soldatenuniform op kantoor kwam om zijn engagement in de Thalia af te zeggen: hij was ingedeeld bij een landweerbataljon.

Maar langzamerhand kwam alles weer op gang - ook het aloude gevecht om de nieuwste, de grootste en de beste films.

De laatste dagen van Pompeï bijvoorbeeld, dat was een film die Abraham Tuschinski tegen elke prijs exclusief voor Rotterdam in de wacht wilde slepen. Het was een produktie van de Pasquali-fabriek in Italië, die met spektakels als Quo Vadis en Cleopatra al had bewezen munt te kunnen slaan uit de Romeinse geschiedenis. Pasquali was zo succesvol, dat een concurrerend bedrijf als de firma Itala alles op alles zette om films te maken over dezelfde onderwerpen die dan bij voorkeur nèt iets eerder op de markt werden gebracht. Spoed was voor Pasquali dus geboden.

Op een dag kwam het nieuws dat de Pasquali-produktie klaar was en in een besloten voorstelling in Berlijn zou worden vertoond. Spoorslags vertrokken Gildemeijer, van de Amsterdamse bioscoop de Union, en Tuschinski, middenin de wereldoorlog, naar de Duitse hoofdstad. Ter plekke slaagden ze erin twee kopieën van De laatste dagen van Pompeï te bestellen: één voor Amsterdam en één voor Rotterdam. Maar toen ze, verrukt van hun succes, terugkeerden, bleek dat F.A. Nöggerath al beschikte over twee kopieën van de concurrerende Itala-versie. Eén zou vanaf de eerstvolgende vrijdag in het Nöggerath-theater in Amsterdam worden vertoond, en de ander vanaf de daaropvolgende dinsdag in de kleine Imperial Bioscope in Rotterdam, aan de Hoogstraat 136, slechts honderd huizen verwijderd van de Thalia. En dan te bedenken dat Tuschinski in de afgelopen weken zijn Pompeï-primeur al in grote advertenties had aangekondigd.

Net op tijd ontving Gildemeijer zijn kopie uit Duitsland, zodat hij de film die vrijdag in de Union in première kon laten gaan, precies tegelijk met de Itala-produktie in Nöggerath. Maar van de tweede kopie die gelijktijdig had moeten arriveren, ontbrak ieder spoor. Misschien, dacht Tuschinski, waren de filmblikken aan de grens onderschept. Hij stuurde Ehrlich naar Oldenzaal en Gerschtanowitz naar Emmerich, maar ook daar was niets te vinden. Radeloos bleef Tuschinski die zondag in Amsterdam, in de buurt van de Union. 'Nog twee dagen scheiden mij van den Dinsdag en de gedachte, dat de Imperial de film vóór mij zal inzetten, maakt mij dol. Als exploitant van de voornaamste theaters in de stad ben ik steeds de eerste met het aanbieden van noviteiten, en dien naam sta ik op het punt te verliezen; dat mag niet gebeuren, ik wil er voor vechten tot het uiterste.'

In zijn wanhoop wendde Tuschinski zich tot Gildemeijer, die beloofde dat hij zijn vriend niet in de steek zou laten. Maar toen Tuschinski vervolgens zei dat hij de kopie van de Union zou opeisen als de tweede kopie niet op tijd zou opduiken, begon Gildemeijer te sputteren. Zijn vriend kon toch niet van hem verlangen dat hij de vertoningen van zo'n succesvolle film zou onderbreken om hem aan de Thalia af te staan?

Op maandagochtend arriveerde in Amsterdam echter de boodschap, dat op een rangeerplaats bij de Hoogte-Kadijk een kist van de Pasquali-fabriek was aangetroffen. Haastig bestelden Tuschinski en Gildemeijer een auto, reden er naar toe en openden de kist. Er zaten niets dan litho's voor advertenties en aanplakbiljetten in. 'Ik kan huilen van verdriet. Het is, alsof alles tegen mij samenspant. Langzaam verlaten wij het station. Ik heb het gevoel, of ik van mijn eigen begrafenis terugkeer.'

Op dinsdagochtend sloeg Tuschinski ten kantore van de Union een krant open en las dat Imperial vanaf die avond De laatste dagen van Pompeï ging vertonen. Onmiddellijk belde hij naar Rotterdam en gaf opdracht tien sandwich-mannen de stad in te sturen met een bord, waarop stond dat De laatste dagen van Pompeï hedenavond in Thalia te zien zou zijn. Daarna liep hij naar buiten en kocht een fikse revolver. Met het wapen op zak keerde hij terug naar de Union en vroeg Gildemeijer te spreken. Gildemeijer liep weg. Tuschinski sprak de bedrijfsleider aan en eiste de film op. De man weigerde. Daarop trok Tuschinski zijn revolver en liep naar de operateur, die hem ontredderd de filmblikken overhandigde. Diezelfde avond vertoonde Thalia met groot succes De laatste dagen van Pompeï. Veertien dagen bleef de film er draaien, voor uitverkochte huizen.

Niet bekend

Twee theaters had Tuschinski nu - en als ze dezelfde film draaien, begon de ene voorstelling een kwartier na de andere, zodat de spoel met film onmiddellijk van het eerste naar het tweede theater kon worden gebracht. Twee fietsjongens had hij daarvoor in dienst, die zich haastig een weg baanden door het verkeer. De gemiddelde film bestond uit zeven à acht spoelen; even zo vaak moest zo'n pendelaar heen en weer rijden. Toen er op de hoek van de Coolsingel en de Van Oldebarneveldtstraat/Sint Laurensstraat een verkeersagent op een verhoging kwam te staan - de eerste van Rotterdam - draaiden de jongens van Tuschinski voortaan heel hard aan de grote bel op hun fietsstuur. De agent zette dan prompt het kruispuntverkeer stil, zodat ze op tijd konden passeren met hun belangrijke lading.