Alles is heel groot in mijn gedachten; De liefde van Jan Roos voor het industriële landschap

Jan Roos woonde vijftien jaar naast scheepswerf Welgelegen in Harlingen, die de voornaamste inspiratiebron vormde voor zijn grote, ruige schilderijen. Nu de werf is verhuisd, zoekt hij zijn onderwerpen in wandelingen en fietstochten. Bijvoorbeeld naar de nieuwe werf en andere fabrieken in het industriegebied. “Dat is allemaal ook mooi, al die drijvende dokken en zo, de raffinaderij.”

Jan Roos, schilderijen en tekeningen. Het Tripgemaal, Hooivaartsweg 14, Gersloot (bij Heerenveen). T/m 8 dec. Vr t/m zo 12-17u.

Jan Roos (45) woont in Harlingen, waar hij ook geboren en getogen is, in de Nutstraat, een doodlopend straatje in zo'n buurtje met laat-negentiende-eeuwse arbeidershuisjes. Kleine, ter aarde gedrukte baksteenwoninkjes. Plannen om het buurtje te slopen en door nieuwbouw te vervangen, liepen stuk op protesten van onder anderen de bewoners. De lage blokken en straatjes zijn nu een (voorlopig) monument, ook al is de oorspronkelijke bestaansreden van het buurtje verdwenen.

Dat was vele jaren lang de nabije scheepswerf Welgelegen, die kleine zeeschepen (coasters) en grote binnenvaarders bouwde. Ze werden zijdelings te water gelaten langs de rails over een helling die uitkwam op een breed stadswater. De werf is kort geleden verplaatst naar het industriegebied van Harlingen, dat zich steeds verder langs de Friese Waddenzeekust benoorden de stad voortvreet. Twintig jaar geleden liepen hier nog schapen. Wiegel, toen commissaris van de provincie, zorgde voor de aanleg van industrieterreinen ter plaatse.

Echt iets voor Wiegel.

Met dat al is Jan Roos zijn voornaamste inspiratiebron kwijt. Althans als dagelijks aanwezige en onmiddellijk beschikbare gangmaker voor zijn vierkante meters beslaande schilderijen en zijn altijd uit twee delen bestaande tekeningen en acrylschetsen. Roos woonde pal naast de werf, uit zijn huiskamer op één hoog overzag hij het complete Welgelegen. Een groot deel van de dag was daar de ketsende herrie van staal op staal, het oorverdovende gesis van hogedrukspuiten, het gekrijs van automatische luchtdrukhamers. Mede om die reden, de geluidsoverlast, moest de werf dan ook uit het stadscentrum verdwijnen.

“Er waren normen, hè”, zegt Roos berustend, “milieunormen.” Zelf mist hij de dagelijkse kakofonie, de niet ophoudende herrie, hij vond het opwekkend en inspirerend, en dan het uitzicht op de werf: een robuuste slordigheid van roestige, halve scheepsrompen op zware houtblokken, ankers, kabels, lieren, kranen, het blauwe agressieve licht van de lassers, de arbeiders in hun kubistische felgele beschermpakken, uitgerust met het wapentuig van hun vak, de gezichten weggedoken achter hoekige laskappen, de alles nog zwaarder en stoerder makende handschoenen. Ze deden hun luidruchtig werk in een industrieel landschap, bezaaid met zo maar stukken staal, brokken steunbalk, overgebleven van het branden, lassen en snijden, een industrieel landschap dat eigenlijk 'werfschap' zou moeten heten.

Ruimtepakken

Vijftien jaar lang is de werf Welgelegen Jan Roos' voornaamste thema geweest. Vrijwel dagelijks betrad hij de werf, een kleine wereld met nauwe kruipruimten onder en tussen de scheepsbrokken en een bevolking van zwoegende figuren in ruimtepakken. Roos rolde grote stukken dik, kartonachtig papier uit onder of bij zo'n schip. De vellen werden vlak gehouden door stukken staal of steen op de hoeken. Daarop bezemde hij dan zijn voorstellingen, over het papier lopend en dan de afdrukken van zijn laarzen aan de compositie toevoegend. Tussen de kabels, het roest, ijzer en herrie deelde hij direct aan het vuile papier mee wat hem overkwam. Of hij deed een paar rubberen kniebeschermers aan, zoals die ook door stratenmakers worden gebruikt, om op zijn knieën zittend dichter bij het papier te kunnen komen.

De arbeiders waren zo aan hem gewend dat ze hem nauwelijks opmerkten. Ook in de schemering was Jan Roos graag op de werf, in het uur dat de dag in de nacht verglijdt. In de naderende duisternis vooral, vond hij de vereiste concentratie en de geheimzinnigheid van het vervagende perspectief; de kleuren en vormen, zo drukt hij het uit, raken op drift, de figuratie lost op in abstracties die de schilder bij tijd en wijle nastreeft.

De werf is verhuisd, het terrein ligt er voorlopig bij als een schilderachtige puinhoop, waar voor Jan Roos nog wel wat te halen is: toch nog wat achtergebleven scheepsrestanten, het stalen geraamte van een constructiehal, de helling met de rails naar het water.

In zijn atelier, een grote en hoge ruimte, een voormalige timmermanswerkplaats, volgt de uitwerking op groot, af en toe zelfs monumentaal formaat van de op de werf gemaakte notities of van daar begonnen schilderijen. Roos schildert op een soort dik papier, een karton-achtig bruin pakpapier, dat wordt gebruikt om bijvoorbeeld stapels timmerhout tegen de regen te beschermen. Hij haalt het uit de afvalcontainers van een nabije zagerij waar het ook wel voor hem wordt bewaard. Oorspronkelijk gebruikte hij het vanwege de goedkoopte, later kregen de vellen stug en sterk papier ook een artistieke bedoeling.

De papierlappen worden met een vuistgrote nietmachine aan de muur genageld of uitgespreid op de vloer. Met meestal grote, grove kwasten gaat Roos ze te lijf in een zeer gemengde techniek van houtskool, krijt, acryl of gewone huisschildersverf. De stoer vierkante gestalten van lassers, meer dan levensgroot, de vormen van gesneden staal, een spant, boeg of huidplaat, een kraan zijn in het werk aanwezig, maar zijn louter schilderkunstige elementen geworden. Ze zijn uit het perspectief getild en vergroot of verkleind en in nieuwe verhoudingen gerangschikt. De werf was vijftien jaar lang een niet uit te putten reservoir van emotioneel benoemde vormen en kleuren waarin het roodbruin van roest, het blauw en okergeel van de werkpakken, het blauw en zwart van water en steigers overheersen. Roos beoefent een koppig beleden expressionisme met een weerbarstige hardnekkigheid, die nauwelijks een commerciële component heeft. De grote tot zeer grote formaten, waarin hij zich het prettigst voelt, staan een geregelde verkoop in de weg. Is een stuk klaar, dan wordt, na op een kleurendia te zijn geregistreerd, opgerold en bij de honderden andere rollen op de vliering gevoegd.

Jeugdherinneringen

Veel oud werk, waaronder zelfs jeugdtekeningen en schilderijen uit zijn academietijd, was elders in Harlingen opgeslagen in een historisch pand dat omstreeks 1980 totaal uitbrandde. Behalve zijn jeugdherinneringen ging zijn werk van zeven jaar verloren. De foto's ervan bleven over. Ze tonen grotendeels een andere kunstenaar, die in olieverf op doek heel precies af en toe zelfs virtuoze voorstellingen maakte, zelfportretten, stillevens, interieurs, een paar naakten naar model, soms een abstracte poging. Het was werk dat mede op de Jan van Eijck Akademie in Maastricht ontstond, oefenwerk dus om het ambacht onder de knie te krijgen. Hij bracht er twee jaar door na een opleiding aan de inmiddels verdwenen avondacademie Vredeman de Vries in Leeuwarden. Dat alles, samen met latere schilderijen, in één klap kwijt te zijn, was dat niet verschrikkelijk?

“Ach ja, het was ook wel prettig.”

Roos voldoet aan het cliché van de zwijgzame Fries, een man van weinig woorden en een soort schaamte om al te vertrouwelijk te worden.

Gevraagd naar zijn indrukken van een reis naar Rusland, volstaat hij met: “Ach, allemaal heel anders dan hier, hè.”

Met het 'wel prettige' van de brand bedoelt hij, zo blijkt uit iets nadere uitleg, dat hij zich toen nog meer dan daarvoor los kon maken van het verleden in een snelle ontwikkeling naar het ruige, grootschalige expressionisme van nu.

Dat de werf Welgelegen nu voor zijn deur weg is dwingt hem zijn actieradius te vergroten. Zijn thematiek ligt niet langer twintig meter verderop, maar moet worden opgezocht in wandelingen en fietstochten, om “overal wat rond te kijken.” Bijvoorbeeld op de nieuwe werf in het industriegebied, waar nog steeds de kubistische robots aan hun schepen bouwen. Toch is daar de vanzelfsprekende toegankelijkheid verdwenen. Roos zoekt wat meer in en bij de havens. En bij andere fabrieken in het industriegebied: “Dat is allemaal ook mooi, al die drijvende dokken en zo, de raffinaderij.”

Hij ziet niets in het traditioneel schilderachtige waaraan Harlingen zo rijk is: “Alles is netjes en gerestaureerd, daar is niets meer aan te beleven.” Het gaat hem om kleine mensen die grote dingen maken. Met grote kranen boven grote dokken. Misschien daarom zijn voorkeur voor het monumentale. Toen de werf nog dag en nacht vlakbij was werd “alles ook heel groot in mijn gedachten.”

De formaten, zegt hij, zullen nu wel wat kleiner gaan worden, omdat de afstand tussen onderwerpen en de beschouwende kunstenaar groter is geworden, zowel letterlijk als figuurlijk. Jan Roos loopt rond met zijn vaste uitrusting, doosjes met houtskool en vetkrijt en potlood. Voorts een klembord dat om praktische redenen niet al te groot kan zijn, een meter bij driekwart meter ongeveer. Hij zet daar altijd twee vellen papier op vast, die op diverse manieren gedeeltelijk onder elkaar geschoven kunnen worden. Op die manier worden allerlei formaten mogelijk, vierkant of rechthoekig in verschillende afmetingen. Vandaar dat al zijn tekeningen en acrylschetsen een verticale of horizontale tweedeling hebben. Ook hier: een om praktische redenen bedachte methode werd op de duur een artistiek kenmerk.

Kachelpijpen

De tekeningen bestaan op zichzelf of zijn schetsen voor nadere uitwerking in het atelier. Roos maakte ze altijd, ook 's winters als hij zijn handen in van die halve wanten verpakt, en dikwijls ook 's nachts. Hij zegt niet in staat te zijn thuis zo maar wat te bedenken, hij moet iets zien, zich door iets buiten laten inspireren. De tekeningen zijn buit die het hol van zijn atelier worden binnengesleept. Het is meer een werkplaats, dat atelier, dat wordt beheerst door een manshoge potkachel vanwaar een surrealistisch stelsel van kachelpijpen ergens in de hoogte verdwijnt. Voorts zijn er blikken verf en pigment, emmers, kwasten als kleine bezems, met schetsen beladen tafels. Verf in tubes ontbreekt. De kunstenaar beent in rubberen laarzen door de werkplaats en ontziet daarbij een op de grond liggend werkstuk niet.

Zijn woning is de etage boven de werkplaats. Behalve voor zijn geregelde wandelingen verlaat hij dit wereldje zelden.

Jan Roos behoort tot die eenlingen die kenmerkend zijn voor de beeldende kunst van dit deel van het land. Hem ontbreekt de behoefte zich naar buiten te presenteren, laat staan aan de weg te timmeren. Collega's kent hij nauwelijks, hij bleef liever in de luwte doorwerken aan de groeiende stapel opgerolde schilderijen op zijn vliering.

Lokale en later verder reikende bekendheid kwam toen hij werd ontdekt door Frieslands 'talentscout' op het gebied van de beeldende kunst, Thom Mercuur. In diens galerie, het Tripgemaal in het gehucht Gersloot in de buurt van Heerenveen, hangt nu een uitvoerige overzichtstentoonstelling met werk van Jan Roos.

Inmiddels loopt de kunstenaar weer door Harlingen en komt dan dikwijls het enige beeld tegen, dat hij ooit maakte. Het is een sculptuur aan de haven, bestaande uit een aantal driehoekige stalen platen, die dakpansgewijs op elkaar liggen en zodoende de boeg van een uit een wilde zee oprijzende scheepsboeg suggereren.

Het was een opdracht van de BKR, de inmiddels verdwenen beeldende-kunstenaarsregeling, een gemeente-opdracht dus. Nogal wat raadsleden van Harlingen vonden het maar een vreemd beeld, dat halfabstracte ding aan de haven.

De kunstenaar zelf blijft het een mooi beeld vinden.

Ik ook.